Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

I. Niet een staat van bewusteloosheid : dit is door ons bewezen op grond;

cc van de natuur en het wezen der ziele, |S door de getuigenissen uit .de Schrift, die het genot der zaligheid onmiddelijk na den dood vaststellen voor de geloovigen en de smart der rampzaligheid voor die buiten Jezus sterven; y eindelijk op grond van de wederlegging der schijnbewijzen , die men uit de Schrift ten behoeve van de bewusteloosheid der ziele na den dood meende te kunnen aangeven.

II. Niet eene volkomene zaligheid of rampzaligheid. Zeer verkeerdelijk vindt men in de meeste Theologische Systemata's de zielen in den staat der afgescheidenheid voorgesteld, als waren zij dan reeds of volkomen genietende de eeuwige zaligheid of gestort in de hel. Opmerkelijk dat onder de oudste Kerkvaders dit gevoelen den ketteren Marcionieten en anderen werd toegeschreven.

Intusschen hoort men gewoonlijk in onze dagen , juist bij de geloovigen , dat die in den Heere sterven dadelijk in den hemel gaan en de ongeloovige, de vijand Gods zoo «a dit leven in de helle geworpen wordt, waar haarworm niet sterft en het vuur niet wordt uitgebluscht — terwijl van de eerste gezegd wordt, dat zij dadelqfcjja den dood God zullen aanschouwen ; den Heere Jezus kennen gelijk Hij hen kent enz. in een woord alle die texten worden vrij algemeen toegepast op de zielen dadelijk na den dood, welke alleenlijk gewagen van haar toestand na het eindoordeel , zoodat volgens de voorstellingswijze dier Schrijveren de opstanding in der daad een vrij onbeduidend iets is en het laatste oordeel eigenlijk gezegd geen andere beteekenis heeft dan een aan het licht stellen van een reeds voltrokken oordeel aan de zielen, onmiddelijk na den

Sluiten