Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Christenen willen zich evenwel dien band der gemeenschap naar Gods wil niel laten aanleggen, zich onder het zachte juk van Christus niet buigen; zij hebben gemeenschap, ja tot aan de tafel des Heeren, zelfs met Jezus' openbare vijanden. En het spreekt toch van zelf, en het is ons daarenboven zoo duidelijk in Gods Woord gezegd, dat die band van gemeenschap naar den aard van het geestelijke leven en van de gemeenschap die' de geloovigen in Christus hebben; mitsdien op de Heilige Schrift gegrond moet zgn. En ook staat het bij U en bij ons vast, dat de Heere God door Zijnen Heiligen Geest de waarheden, geboekt in de drie oecumenische en daarna in de drie andere belijdenisschriften der Christelijke, Gereformeerde Kerken in Nederland, als door Hem geopenbaarde waarheden, na bange worstelingen en veel gebeds, tot bewustzijn en tot duidelijkheid dier kerken heeft gebracht.

Dezen moeten alzoo, wil men niet het werk des Heiligen Geestes en der Kerk van bijna 19 eeuwen terzijde zetten, en voor allerlei kettersche gevoelens de deur openen, accoord van gemeenschap zgn.

Daarenboven gelooven ook wij, dat de Kerkenordening van 1618 en '19 uit de waarheden en verordeningen der Heilige Schrift ontwikkeld. en mitsdien daarop gegrond is. Uitzondering zouden , naar onze bescheiden meening, daarop alleen sommige van de bepalingen kunnen maken, welke de verhouding van den Staat tot de Kerk regelen.

Dewijl we nu met U in dit een en ander blijkbaar niet verschillen, maar van dezelfde gedachte zgn, en ten deze ook dezelfde begeerte hebben, zoo staat ook onzerzijds, hierop ziende, aan de ineensmelting nu reeds niets in den weg.

Doch daar Gij niet alleen eene vereeniging met de gemeente, die wij de eer hebben te vertegenwoordigen, maar met alle Christelijke, Gereformeerden wilt en wenscht, zoo ligt het voor de hand, dat over deze ineensmelting, vóór ze plaats heeft, ook de gemeenten met wie wij dusver één mochten zijn, moeten worden gehoord.

Gelijk Uwe gemeenten zich hierover hebben kunnen uitspreken op het Convent, moeten dat ook de onze doen op hare Classikale, Provinciale en Synodale Vergadering. Dit is in elk geval, maar te meer noodig, dewijl Gij een bezwaar, ja eene voorwaarde hebt: „Gij moogt en kunt U niet voegen", schrijft Gij, „onder het onzerzijds aanvaarde Reglement van 1869, naardien de beginselen van dit reglement in meer dan

Sluiten