Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

jonge- lieden, naar 't mij vöorkwam, in dit gedeelte der geschiedenis nog weinig gevorderd waren, en nam hierop beleefdelijk mijn afscheid, 't welk met geene mindere beleefdheid werd beantwoord. Met niet weinig bevreemding, ja verbazing, hoorde ik, na verloop van eenige maanden, toevallig, dat de Heer Bisschop van Curium, op ontvangen verdraaid berigt (hij zelf namelijk was, bij mijn bezoek, niet tegenwoordig) zich bij Z. £. den Heer Minister beklaagd had, als had ik de kweekelingen van zijn Instituut over de Hervorming onderhouden. Daar ik tevens vernam, dat dit beklag op den Heer Minister eenigen indruk gemaakt had, besloot ik, bij eene uitvoerige missive, aan Z. E. de geheele toedragt dei* zaak met de redenen, die mij daartoe bewogen hadden, open te leggen, en had althans de voldoening, dat Z. E. mij, bij een beleefd schrijven, voor mijne belangrijke missive zijnen dank betuigde. — Men vergelijke nu met het bovenstaande berigt het verhaal van dat zelfde bezoek, door den Heer van vree gegeven, waar vooreerst den Schoolopziener , als zoodanig, het regt daartoe ontzegd en zijne toelating alleen aan de inschikkelijkheid der Leeraren wordt toegeschreven, ten andere hem verweten wordt, dat hij op een tijdperk der geschiedenis gevallen was, dat op het Instituut voor de kweekelingen nog niet behandeld was-. Moet ik hier de goede trouw van den Heer van vree, of die van den berigtgever (want hij "ielf was, tijdens dat bezoek, nog niet aan het Instituut verbonden) verdacht houden? Ik wil dit niet beslissen, maar dit weet ik, dat hij met de mededeeling van zijn berigt onberaden gehan-

§5v'-"\

Sluiten