Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

laatste verzen van Marcus, van den tweeden brief van Petrus, wordt thans onder de godgeleerden vrij en zonder gevaar voor de godsdienst over en weer besproken. Het is hier de plaats niet, die vraagstukken te beslissen; ons is het, voor ons tegenwoordig doel, genoeg, aangewezen te hebben, dat de godgeleerde wetenschap in onzen tijd van de vroegere in zoo ver is afgeweken, dat, terwijl de kritiek vroeger bij de godgeleerden verdacht was, of hoogstens voor eene dienaresse der kerkelijke overlevering gehouden werd, de vraag naar den oorsprong en de echtheid der H. Schriften, in onzen tijd, niet van de overlevering, maar alteen van historisch onderzoek afhankelijk geacht wordt. De verdediging van die methode zelve acht ik voor eene geleerde vergadering als deze meer dan overtollig. Voor ons doel is het hier alleen de vraag, of het kritisch onderzoek naar de H. Schriften overeen te brengen is met den persoon en het karakter van den godgeleerde, die zich belijder noemt der ChriHelijke godsdienst? De beslissing hierover dragen wij aan de H. Schrift zelve op, als de historische getuige van het Christendom. Wordt nu de zaak voor déze regtbank gebragt, dan valt bet, ook bij de geringste kennis der Schriften, ieder in het oog, dat de boeken des O. Ts, met uitzondering van de Wet, niet geschreven zijn om voor den tijdgenoot, laat staan voor de nakomelingschap, als regel des geloofs te dienen. David heeft er zelfs niet van verre aan gedacht, toen hij zijne zangen ter neder schreef, om voor het nage. slacht een regel des geloofs op te stellen; de Israë-

Sluiten