Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

lietische geschiedschrijvers hadden geen ander doel dan om de lotgevallen huns volks aan de vergetelheid te ontrukken en de nagedachtenis van het voorgeslacht in eere en zegening te doen blijven. Wat de Profeten aangaat, ook zij traden als tolken der Godheid alleen op ten dienste hunner tijdgenooten, om hen tot deugd en godsvrucht op te wekken, hen door de godsdienst te bekrachtigen en door het uitzigt op betere tijden te bemoedigen. Dat zij een geloofsregel zouden hebben willen opstellen voor volgende tijden, kan zelfs niet uit eene enkele letter der H. Schrift worden aangewezen.

Vraagt gij naar het N. T.? dan blijkt het, zoo mogelijk, nog duidelijker, hoever het kerkelijk leerstuk aangaande de Schrift verwijderd is van de H. Schrift zelve. Van Jezus is het bekend dat hij noch zelf iets geschreven, noch ook aan zijne discipelen bevolen heeft zijne leer in schrift te brengen, wat hij voorzeker zou hebben moeten doen, indien het hem om een schriftelijken canon of regel des geloofs voor het nageslacht te doen geweest ware. Evenmin als Jezus bij zijn onderwijs, hadden de Apostelen, bij hetgeen zij schreven, de nakomelingschap op het oog. Zij schreven óf aan bijzondere gemeenten, óf ook aan enkele personen, zoo als Philemon, Theophilus, Gajus, Curia, en bekommerden er zich weinig om, of hun oorspronkelijk handschrift bij de gemeenten bewaard bleef zoodat het geene verwondering kan baren, dat ook de oudste kerkvaders geen enkel eigenhandig geschreven stuk van hetN. T. gezien hebben, en dat

Sluiten