Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

sloijerd worden, wier geestelijk oog in zijne gemeenschap geschikt is geworden om zoo groot eene verborgenheid te verstaan. Ik weet het, de oude godgeleerden waren gewoon de vereeniging van het goddelijke en menschelijke in Christus geheel mechanisch voor te stellen, als waren in denzelfden persoon God en mensch te gelijk en nevens elkander aanwezig, waarom zij dan ook niet aarzelden te spreken van een God die geboren was, in de kribbe lag, honger geleden had en aan het krnis gestorven was. Ware de vereeniging van het goddelijke en menschelijke in Christus van dien aard, dan zou ik de eerste zijn om toe te stemmen, dat zulk eene voorstelling de bevatting van het menschelijk. verstand te boven gaat. Alvorens echter dit gevoelen der oude godgeleerden als christelijke leerte omhelzen, zullen wij ook hier de Schrift ondervragen, opdat uit het onderwijs van Jezus zeiven en de Apostelen blijke, of men regt hebbe eene zoodanige voorstelling op hnn naam aan te bevelen* en ingang te doen vinden.

Deze geheel mechanische vereeniging van het goddelijke en menschelijke in Christus hangtzamenmet de dualistische wereldbeschouwing van den vroegeren tijd, volgens welke God en de natnnr, het goddelijke en menschelijke, geest en stof, ziel en ligchaam, voor substantiën gehonden werden, die met elkander geene de minste natuurlijke verwantschap hebben. Uit deze dualistische wereldbeschouwing ontsproot bij de Neo-Platonici de verachting der menschelijke natuur, inzonderheid van het ligchaam, en in de christe-

Sluiten