Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

goddelijke als het menschelijke, maar in de vereeniging van beiden gingen de godgeleerden zóó te werk, dat zij het menschelijke in Christus loochenden, waar hij geacht werd als God gesproken of gehandeld te hebben, en zijne goddelijke natuur buiten werking stelden, waar hij zich als mensch gedragen had. Het gevolg hiervan was, dat, wien het met de erkenning van ééne der beide naturen ernst was, er onwillekeurig toe komen moest, om óf met de Ebionieten het goddelijke in Christus te loochenen, óf met de Doceten zijne menschelijke natuur, zoo niet met woorden, althans met de daad op te heffen en voor een schijnbeeld te verklaren.

De opheffing van dit dualisme, zoowel in het algemeen als meer bijzonder in de leer over Christus, maakt eene der eigenaardige grondtrekken uit, waardoor de nieuwere godgeleerdheid zich van de oudere onderscheidt. Met welk regt zij in de verklaring, der Christelijke godsdienst, waartoe zij geroepen is, het dualisme ter zijde gesteld heeft, moge de H. S. als hoogste scheidsregter bij de beantwoording der vraag, wat christelijk is, beslissen. Hoe ver nu, M. H.! is de Schrift er niet van af zulk een dualisme of strijd van het ongelijksoortige, met al de ongerijmdheden er aan verbonden, in bescherming te nemen! De zigtbare natuur is bij den Hebreër zoo weinig eene tegen God overstaande, vijandige magt, dat de Israëlietische dichtkunst juist in de pracht en schoonheid der natuur Gods heerlijkheid geopenbaard ziet *). Zal ik nog spreken van

') Ps. XIX :1 verv.; Ps. CIV.

Sluiten