Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

<eeTste den leerstoel der regtsgeleerdheid, de tweede dien der godgeleerdheid met roem weleer bekleed heeft. Hoe zou ik voorts bij deze gelegenheid uw naam verzwijgen kunnen, hooggeschatte Van Hengel! wien het op uw gevorderden leeftijd door Gods Voorzienigheid vergund wordt niet slechts gezond en krachtig te wezen naar het ligchaam, maar ook een leven te genieten, door de beoefening der wetenschap veraangenaamd, zoo als slechts aan weinigen mag te beurt vallen, zoodat, indien op iemand, op u het woord van Solon toepasselijk is: »oud wordende ga ik steeds voort met veel te leeren." Zes jaren zijn er verloopen, sedert gij, volgens de wet, op zeventigjarigen leeftijd als Docent zijt afgetreden. "Wat gij intusschen van dien tijd af, zoowel voor de academische jongelingschap door uw bijzonder onderwijs, als voor de geleerde wereld door uitlegging van het N. T. gedaan hebt, daarvan getuigen uwe voortreffelijke schriften en dat wordt door de beoefenaars der wetenschap in ons vaderland hoog gewaardeerd. Geluk daarmede, hooggeleerde heer! en wees verzekerd, dat u een lang leven, niet slechts, als naar gewoonte, door vrienden en bloedverwanten toegewenscht wordt, maar door allen, wien de echte beoefening der godgeleerde wetenschap ter harte gaat.

Van de kweekelingen onzer hoogeschóol ontvielen ons drie voortreffelijke jongelingen, Alexander Benjamin Haas candidaat in de Letteren en

') Zie over hem het Nederlandsch leraëlitisch Jaarboekje voor 1857, bl. 32—42.

Sluiten