Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Amsterdamsche godgeleerden van onderscheidene christelijke kerkgenootschappen.

Ik acht mij gelukkig, bij mijne tweede aftreding als Rector der hoogeschóol, de voor de Leidsche academie zoo verblijdende als eervolle gebeurtenis te kunnen vermelden, dat het den Koning behaagd heeft, Z. K. H. den Prins van Oranje, Willem Nicolaas Alexander Frederik Karel Hendrik als burger onzer hoogeschóol te doen inschrijven. De Koning heeft hierdoor een schitterend bewijs gegeven van zijne prijsstelling op eene inrigting, die eens door Willem I, den vader des vaderlands, gesticht werd, en getoond, hoezeer het hem ter harte gaat, dat de toekomstige erfgenaam van den Nederlandschen troon die opvoeding ontvange, die hem eens in staat zal stellen, om, wel gevormd en wetenschappelijk ontwikkeld, het welzijn des vaderlands te bevorderen. Dit gunstbewijs, onzer hoogeschóol verleend, verblijdt ons te inniger, als wij denken aan den naauwen band, die het Nederlandsche volk, sedert de eerste wording van ons gemeenebest, met het doorluchtige stamhuis van Oranje verbonden heeft. Die band is toch van gansch bijzonderen aard M. H.! Want, terwijl in andere landen van Europa de regering" der vorsten óf haren oorsprong heeft in het geweld der wapenen, óf afgeleid wordt van een vermeend «goddelijk regt" of van een dusgenaamd «maatschappelijk verdrag," zoo heeft niets van dat alles onder ons den vors tel ij ken troon gevestigd. Die troon toch werd niet door geweld van wapenen op het

Sluiten