Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Deze zaken, Wei-Eerwaarde Heeren ! zijn u niet onbekend. Gij hebt u in uwe uitspraken dan ook op geen enkel Artikel van eenig Reglement, waarbij de leer der Kerk afgeschaft of gewijzigd zou zijn, kunnen beroepen, maar u verschuild achter verklaringen en meeningen van andere kerkelijke collegiën, even krachteloos en onverbindend als die van u zeiven.

Intusschen hebt gij, door uwe wederregtelijke oordeelvellingen, een nieuwen slag toegebragt aan de ernstigste en eerbiedwaardigste kerkelijke handelingen, die onder uwe handen dreigen een voorwerp te zullen worden van bespotting. Volgens uwe uitspraken zal voortaan iedere volgende voorstelling van een nieuw beroepen predikant aan de gemeente, niet hooger dan als eene ijdele formaliteit, dan als eene tooneélvertooning moeten worden beschouwd, en daardoor de band, die leeraars en gemeente zamen omvat en vereenigt, al verder worden losgemaakt en verbroken. Volgèns uwe uitspraken toch heeft de gemeente wel het regt hare bezwaren tegen een beroepene in te brengen; is wel de handhaving van de Hervormde Kerkleer voorgeschreven, maar is de voldoende maatstaf weggenomen, om die bezwaren te kunnen beoordeelen, vermits het onzeker is wat de Kerk gelooft en belijdt!

Wat zullen de Ondergeteekenden doen, Wel-Eerw. Heeren! wanneer gijlieden, die voorstanders en verdedigers van de Kerk behoordet te zijn, in overmoedige onregtvaardigheid, dwaasheid antwoordt aan hen, die uit opregte belangstelling in de godsdienst en de zaligheid hunner eigene en anderer zielen, de handhaving vragen van de waarheden, door hunne Kerk

Sluiten