Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ten de uitgewekenen uit ons vaderland den weusch uit, dat er eene verbeterde Vlaamsche ofNederduitsohe overzetting mogt bearbeid worden (1). Doch nu hebben wij eene vertaling naar den grondtekst in onzen Staten-Bijbel, al moeten wij ook toegeven, dat er ter vervaardiging van dezen veel meer gebruik van vroegeren arbeid is gemaakt, dan doorgaans wordt aangenomen (2). Hield iemand derhalve de onderneming voor volstrekt noodzakelijk, hij zou zich hier op den hals halen, dat men hem van overdrijving der zaak beschuldigde. Al hadden onze kerken een' Bijbel van veel mindere waarde, dan zij thans bezitten; die onderneming zou nog niet noodzakelijAl zijn. Maar zoo gereedelijk ik zulks toegeef, zoo weinig vervalt het daardoor, dat de volvoering van dit werk wenschelijk is. Het is hiermede immers eveneens gelegen, als met de vernieuwing van gebouwen, huisraden, boeken en al wat men wil. Of zou men die vernieuwing moeten uitstellen, totdat het uitstel niett langer mogelijk was ? Doet men integendeel het nieuwe, in plaats van het oude, niet doorgaans, voordat het geheel onbruikbaar is, optreden? En zou eene nieuwe Nederduitsche Bijbelvertaling dan ophouden wenschelijk te zijn, wanneer

(1) Behalve vele andere schrijvers zie men heringa , Bijzonderheden betreffende de vervaardiging van de gewone Nederlandsche Bijbelvertaling (meest uit schriftelijke bescheiden), in het Archief voor Kerkelijke geschiedenis , inzonderheid van Nederland, versameid door w. c. kist en

h. j. royaards. V D. bl. 64 Volgg.

(2) Ypet en derhodt , Geschiedenis der Nederlandsche Hervormde Kerk. II D. bl. 374.

Sluiten