Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

der Mozaïsche wet. Zoo lezen wij er, ofschoon in den grondtekst het lidwoord ontbreekt. Nu moge die vertaling op eene enkele plaats, welke Joden betreft, zoo als Bom. XI: 6, geene schade doen, zij blijft toch altijd eene ongeoorloofde willekeur. Maar men zie eens, hoe zeer Bom. IV: 1, als mede Bom. IX: 11, en ■Bfez. II: 9, waar van abraham , jakob en ezau , en voormalige Heidenen gesproken wordt, de rede in verwarring komt, tenzij men dtór alleen schrijve uitwerken, zoo als in de vertaling van tjtenhoven te lezen staat.

Er zijn nu nog drie dingen, welke ik, hoe noodig ook de bekorting zij, niet onaangeroerd mag laten, zij betreffen de plaatsing van tusschenredenen (parentheses), de afscheiding van verzen en de verdeeling van hoofdstukken. Ten aanzien van deze moge al de Staten-Bijbel meestentijds den eenen of anderen Griekschen tekst volgen, het is toch onloochenbaar, dat er niet zelden de gang der rede door belemmerd of gestoord wordt. Verkiest iemand van alles een voorbeeld te hebben, hij beginne dan met Bom. 1: 1—7 , en zie eens, hoe zeer de zamenhang dezer verzen daardoor te loor gaat, dat er wel drie tusschenredenen worden ingeschoven, waarvan geene noodzakelijk zal blijken te zijn, zoodra men alles naauwkeurig opneemt. Wat eene verkeerde scheiding der verzen te weeg brenge, kan een ieder ligtelijk opmaken uit 1 Joh. III: 10, waarvan de eerste helft: Hierin zijn de kin-: deren Gods en de kinderen des duivels openbaar, aan het volgende onttrokken en met het vorige verbonden behoort te worden, zal alles geregeld voortgaan. Hoe veel erger storenis evenwel daaruit ontspruit, dat de verdeeling der hoofdstukken dingen van een scheurt,

Sluiten