Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

gesteld. De eerste, die hij opgaf, liet zich gemakkelijk wederleggen. Zij was, namelijk, nit de vrees ontstaan , dat men het plan had, om de nieuwe Bijbelvertaling onverwijld door kerkelijk gezag in de plaats van de oude in te voeren. Doch had iemand dit ook in de hersenen gekregen, de dwaasheid van zulk een plan zou hem spoedig in het oog zijn gevallen. Wie weet niet, dat er eene reeks van jaren verloopen is, eer dat men het zoo verre gebragt had, dat de StatenBijbel door geheel ons vaderland heen was aangenomen (1) P En toen konden de kerkelijken den wereldlijken arm te hunner ondersteuning inroepen! En toen wist men van geene zoo verklaarde tegenpartij, als die wij in onze dagen kennen ! Maar noch de Synode, noch de Synodale Commissie, noch een der medewerkew aan de Bijbelvertaling heeft, gelijk harting te regt aanmerkt, iets anders bedoeld, dan het vervaardigen van zulk eene overzetting, die zich, zonder tusschenkomst van het kerkelijk gezag, alleen door hare eigene deugdelijkheid bij de Gemeente zou aanbevelen. Niet, dat men daaromtrent onverschillig zijn zou. Doch den tijd zal men laten beslissen. Vindt het werk, dat nu ondernomen wordt, goedkeuring bij alle weidenkenden, dan zal het zich zelf invoeren. En met den wensch, dat dit eenmaal gebeuren mogt, heeft men zich beijverd om zulke grondslagen te leggen, dat men met vertrouwend inwachten van den Goddelijken zegen zich aan den arbeid zetten kan.

De twee andere bedenkingen, welke harting vermeldt, zegt hij, dat ontleend zijn aan de gevaarlijke strekking en de ontijdigheid van den Synodalen maat-

(1) Yr-ey en dermoct II D. bl. 371 volgg. en Aanteek. bL 262 volgg.

Sluiten