Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

reden van die vrijheid ligt dan hierin, dat de klacht van tegenoverstelling het ée*ne schijnt te begunstigen (1), het gewone spraakgebruik voor het andere pleit. Doch dit is wel buiten kijf, dat de StatenBijbel wegens zijne zonderlinge ongelijkheid aan zich zeiven, waardoor bij hem, voor dezelfde Grieksthe woorden, vs. 21 [tot] de ouden en vs. 83 [van] de ouden staat, volstrekt niet gevolgd mag worden. Niet minder beslist het de eisch der moedertaal, dat men Matth. XVIII: 8, 9 niet schrijven mag: Het is u goed, maar van den grondtekst (2) afwijken en met den Staten-Bijbel vertalen moet: Het is u beter. Omgekeerd kan een eerstbeginnende inzien, dat de StatenBijbel tegen de getrouwheid zondigt, als hij Matth. XV: 27 twee Grieksche woorden (3) door het Nederduitsche doch overbrengt; maar niemand zal er ook aan twijfelen, of hij door want ook te schrijven, zoo als vissering insgelijks gedaan heeft, aan die getrouwheid het naaste bij kome. Deze voorbeelden maken

Genootschap, te Dordrecht, bij blcssé en Comp. 1851. Hier staat evenwel het woordje tot ten onregte tusschen twee haakjes, dewijl zonder voorzetsel het Nederduitsch geen' zin heeft.

(1) Evenwel is dit zoo niet, wanneer men vs. 31 en 32, 38 en 39 , 43 en 44 in vergelijking brengt, vermits daar de woorden: Maar ik zeg u alleen tegen gezegd is overstaan, zoo als waarschijnlijk ook vs. 27. Daarmede zou de grond vervallen, waarop fritzsche Comm. perp. ad Matth. V: 21 van het spraakgebruik afwijkt, dat zeker het gewone is, hoeveel of hoe weinig ook de redenering van winii s. 248 , 249 gelde.

(2) KccXó» ooi tOTiv. (3) Kal yan.

Sluiten