Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

gedaan dan dezelfde Paulus. Staat mij toe, u bij vernieuwing te zeggen, dat, wanneer gij door uwe eigene geregtigheid en uwe eigene werken wilt zalig worden, gij noch geregtigheid bezitten , noch goede werken doen zult; maar zoo gij in Christus geregtvaardigd zijt, zult gij geregtigheid hebben en goede werken voortbrengeu. In dit opzigt bestaat er tusschen de evangeliën eene volkomene overeenstemming; in dit opzigt zijn Lutherschen, Hervormden en Doopsgezinden en allen, die den Heer in waarheid liefhebben, het volkomen eens; in deze zaak leggen zij, als één man' en nit éénen mond de groote getuigenis Gods af, door den Apostel aan de Ephesen verkondigd: irUit genade zijt gij zalig geworden door het geloof: en dat niet uit u, het is Gods gave." Indien de Apostel daar spreekt van de geregtigheid uit het geloof, dan spreekt hij in mijnen tekst van de genade Gods: «rWij bidden u ook, dat gij de genade Gods niet te vergeefs moogt ontvangen hebben." Dit paar woorden is onuitputtelijk inderdaad, en het is onmogelijk den rijkdom, de volheid en de heerlijkheid, die zich daarin openbaart, in de verste verte aan te duiden. Mijn tekst heeft eene zekere overeenkomst met een vers uit den brief aan de Hebreen, waar Paulus dezélfde gedachte uitspreekt, door de discipelen op te wekken tot het vasthouden der genade, waardoor zij Gode welbehagelijk dienen kunnen. En nu komt de vraag: Wat is die genade

Gods, waarop Paulus ons wijst?

Ik wensch uwe «andacht dezen morgen meer bijzonder laj

drie groote gedachten te bepalen;

bij het onderwijs, dat Jezus Christus als Profeet

ons geschonken;

bij de verzoening, die Hij als Hoogepriester

te weeg gebragt heeft;

bij de heerschappij, die hij als Koning uitoefent. Een iegelijk, die geen vreemdeling- is in de geschriften des

Ouden Verbonds, is bekend met de getuigenis, in het 49ste

Sluiten