Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

vormen, welke aan dien schrijftrant doorgaans eene„lastige langdradigheid verhinden.

Alleen wensch ik, zoowel ter bevordering van de hartstogteloosheid, als om pligtmatig der waarheid hulde te doen, alreeds in den aanvang, eene schier onverklapbare dwaling in uwe opvatting door eene noodige teregtwijzing op te heffen, omdat ook die dwaling schijnbaar uwe ongegronde verbolgenheid heeft gevoed *).

*) Zie Mr. G. Groen van PrinsteRer , Grondwetherziening en Eensgezindheid, IX Stukje, bl. 533—542, en bepaaldelijk bl. 535—537 : •/* »durf niet beweeren dat deze uitvoerige schets meesterlijk is ,* dat zij mees•terachtig is, wel. De manier waarop enkele leden der Tweede Kamer*

• zonder hen te noemen, worden geltarakterizeerd , komt mij onheusch voor,

• en, al ware de bestraffing verdiend, dan nog zou ik achten dat de vorm

• der uitspraak van aanmatiging niet geheel vrij is. Evenwel wantrouw ik

• den indruk welken de schildering op mij gemaakt heeft; vooringenomenheid

• welligt bedriegt mij: want te vergeefs zou ik mij ontveinzen dat ook <ng»

• beeld, gelijk het door sommigen mijner tegenstanders anluiorpen wordt,

• hier voorkomt; in de gewone trekken van Pharizeeuwsche onverdraag-

• zaamheid, hooghartige zelfgenoegzaamheid, verborgen afkeer van den

• Constüutionelen regeringsvorm; waarbij een tol dus ver door niemand, zoo

• ver ik weet, opgemerkte trek gevoegd wordt; namelijk dat ik, aan begin-

• seis onverschillig, her- en derwaarts geslingerd, gereed mijn overtuiging

• te plooijen naar den eisch der Torsten of de wanbegrippen van het opge-

• wonden Volk, in het openbaren mijner denkwijs, bij het omzigtig jagt

• maken op ambt en titel, weifelend, vreesachtig en onopregt, •alleen mij

• zeiven zoek, en de deur, onverschillig welke, die den weg tot het gezag

• opent." — In de zaak zelf aldus betrokken, wensch ik billijk te zijn, door

• bij vrijmoedige af keuring te doen opmerken, dat het den Schrijver, waar

• hij in zijne aanmatiging wat ver gaat, aan verontschuldiging niet geheel

• ontbreekt. — Ik stel op den voorgrond dat geen uitnemendheid van poli-

• tieke antecedenten, in daad of geschrifte, iemand tot het voeren van der-

• gelijken toon regt geeft. Ik moet er bijvoegen, dat de Heer Lipman in

• gansch niet onverdienstelijke geschriften, in zijne geschiedenis der diplomatie

• na 1815, ") in zijne brochures, in zijn legen den finaneièlen maatregel

• van 1844 geriglen Spectator, bij menige treffende opmerking en nuttigen

*) In het Joumnl de la Jlaijt, ouder de teller T. (hier te lande een dor meest geduchte run het ganaehe AUabot) gereoeiitccrd.

Sluiten