Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

lk erken gaarne, dat de leer, welke ik ga bestrijden, niet eene zoodanige ,is, welke de rust van den Staat onmiddellijk in gevaar brengt. Ik ontveins mij even weinig, dat het getal van hare aanhangeren, zoo klein, en de kans, dat zij in onze dagen vaste wortels zal schieten, en hare takken, verre rondom zich zal verspreiden , zoo gering is, dat uit dat gezigtspunt beschouwd, de zorg van de wederlegging harer dwalingen gerusteli^ aan anderen, of aan den tijd zelve konde worden overgelaten.

Verre zij het van mij, de waarheidsliefde verbiedt het, hetzij de onwaarschijnlijkheid eener snelle verspreiding als eenen bewijsgrond tegen de leer te doen gelden, hetzij in het meerder of minder getal der voorstanderen «enen maatstaf voor hare inwendige waarde of onwaarde te erkennen. Vaak ziet men de dwaling welig opschieten , als een van die schadelijke gewassen, die één nacht te voorschijn roept, en één dag tot wasdom brengt, terwijl de waarheid als eene dier planten, welke zich door steenen en rotsen eenen moeijeJ(jken weg naar de verlangde lucht banen, niet dan spade ontkiemt, niet dan allengs hare kracht erlangt. Het is gewis geene vernedering, met weinigen of ook alleen in den kamp voor zijne overtuiging te staan. Ook mij is doorgaans dit lot beschoren, en> ik heb mij daarover nimmer beklaagd.

Doch wanneer de vraag oprijst, of eene leer, als dwaling beschouwd, van genoegzaam gewigt mag worden geoordeeld, om voor hare bestrijding aan andere pligten den tijd te ontscheuren, dan mag de bestaande of te vreezen uitgebreidheid der dwaalleer, niet als bewijs van hare valschheid, maar als maatstaf van den graad harer schadelijkheid, in de berekening gelden, als den omtrek

Sluiten