Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Intusschen hopen de Zendelingen ook hierin op toenemende verbetering. Zeer verblijdend is het te zien, hoe de Negers naar een christelijk familieleven trachten en de inzegening van hunne huwelijken begeeren; — iets, dat hun in den slavenstand ontzegd was.

Men is begonnen met de oprigting van nieuwe scholen; 4 dezer zijn reeds in werking. Het is te hopen dat de regering het onderwijs niet geheel zonder ondersteuning zal laten, dewijl toch daardoor ook het maatschappelijk welzijn der kolonie werkelijk bevorderd wordt. In de groote stadsschool voor negerkinderen in Paramaribo, als ook in Beekhuizen wordt de hollands che taal reeds vlijtig onderwezen.

Dat dit Genootschap behoefte heeft aan ondersteuning blijkt ook uit hetgene de Voorzitter van de Haagsche afdeeling der „Maatschappij ter Bevordering van het godsdienstig onderwijs onder de Inlandsche Bevolking in de kolonie Suriname," welke gedurende al de jaren van haar bestaan „in stilte mogt voortwerken tot ondersteuning van de Moravische Broeders in Suriname," bij gelegenheid van hare 34ste jaarvergadering mededeelde, na al het goede door den arbeid der Broeders vooral in dat deel van hun werkkring verrigt erkend, en in korte trekken aangetoond te hebben, „dat het godsdienstig onderwijs, gedurende de slavernij, het meeste heeft gedaan om aan de vrijmaking eene vreedzame oplossing te verzekeren." Uit die mededeeling blijkt: vooreerst, dat terwijl de regering in de W. I. de geestelijken van alle kerkgenootschappen in Suriname verzorgt, de Moravische Broeders slechts eene geringe toelaag tot onderhoud van het etablissement Beekhuizen ontvangen: zoodat terwijl de Protestantsche, Boomsche en Israëlitische gemeenten met 18.461 leden ontvangen /57.670 of per hoofd ƒ3.12 in het jaar, aan de Broedergemeente met p. m. 27.500 zielen slechts wordt verstrekt ƒ7000 of 25 centen per gemeentelid, en derhalve de andere gemeenten bij doorslag 12 Va maal meer genieten dan de Broedergemeente; en ten andere, dat de Maatschappij te vergeefs bij de regering om hooger toelaag voor de Broedergemeente had aangedrongen, „weshalve, daar deze niet bij magte is om het onderwijs op den tegenwoordigen voet te bestendigen en de organisatie nog niet in verhouding tot de behoefte is voltooid, aangezien vele duizenden, nog buiten de gemeenten van onderwijs verstoken zijn, er niet anders overblijft dan een vernieuwd en krachtig beroep te doen op de liefdadigheid der landgenooten en vooral der Zendingvrienden."

t2. Het Nederlandsche Zendelinggenootschap. Spreker deelde mede

Sluiten