Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

is die heilsinrigting heerlijk. — Velen worden daartoe genoodigd! Gods hart is niet bekrompen in liefde; koninklijk mild en rijk is Zijne liefde ter behoudenis. „Hij heeft geen lust in den dood des zondaars. — Alom aan alle menschen laat God verkondigen dat zij zich bekeeren; Hij wil niet dat eenigen verloren gaan, maar dat ze allen tot kennis der waarheid komen." — Daarom laat Hij Zijne dienstknechten, zonder op houden noodigen, tot dat heil te komen en het geloovig aan te nemen. Dan vindt aller ziel alle dingen gereed. Ook tot ons komt die noodiging tot op dezen dag, dezen heerlijken dag, waardoor Gods liefde ons uitlokt en dringt, om Zijn Genadewoord weerklank te doen vinden in onze harten en ons alzoo te bewegen, om medearbeiders aan Zijn heerlijk koningrijk te worden. — Dringt ons daartoe de liefde van Christus? Is chbistus reeds in onze harten geopenbaard? Gods liefde reeds door Ons bekend?

Maar ach! gelijk het ging bij de Joden, zoo ging het steeds ook onder belijders van het christendom. — Velen versmaden die noodiging, door aardschgezindheid, wereld- en zondeliefde. Velen zoeken allerlei verontschuldigingen om zich aan den eisch van het christendom te onttrekken; en willen met de nietigste gronden niets weten van een wachten en spoeden tot de volheerlijke toekomst van jezus. — Groote schande en zware zonde voorwaar, tegen dien God, Wiens liefde zoozeer hunne behoudenis bedoelt, Wiens roepstem zóó welmeenend is, dat Hij toornen zal van wege hunne weigering. — Intusschen, ook dat kan zijn voornemen in c. j. niet verijdelen. Zijn raad zal bestaan en Hij zal al zijn welbehagen doen, in de volvoering van de ontwerpen Zijner genade. Van de eerstbegunstigden en meest bevoorregten, keert Hij zich tot de verstverwijderden en meest verwilderden. En zoo lang er plaats is, zal Zijne liefdestem niet zwijgen, ja, dwingen om in te komen. Geen plaats in het rijk der natuur of in dat der genade mag ledig blijven. Zijn huis moei vol worden!

Ziedaar de Goddelijk bemoedigende waarborg, M. H.! met het oog op het Godsrijk in Zijnen tegenwoordigen toestand en Zijne luisterrijke voleindiging. — Ziedaar deszelfs heerlijk lichtzijde, tegenover de donkere schaduwzijde daarop geworpen door ongeloof, onverschilligheid en aardschgezindheid. Gods liefde ter behoudenis wórdt nimmer moede of mat en niets zal daar in staat zijn te beletten dat niet eenmaal in de menigte der onderdanen des Eonings heerlijkheid zal worden aanschouwd. — Geloofd en geprezen zij de genade en

Sluiten