Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

slaven, slavernij, slavenhandel en menschenroof, verklarende daarvan onbeschrijfbare ellende gezien te hebben, vooral op Alor en Soemèa, waar hij slaven had aangetroffen, naauwelijks menschelijke wezens kunnende genoemd worden. Nederland heeft zich erbarmd over de slaven in West-Indiè' en over eenige duizenden in Oost-Indie; er blijven er echter nog 10 of 100 maal meer in veel ellendiger toestand over, wier verlossing naar het schijnt, alleen van het evangelie te verwachten is. De evangelie-verkondiging is ook uit dien hoofde eene politieke noodzakelijkheid, God wil buiten twijfel het heil der volken, ook van de ongelukkige volken in Nederl. Oost-Indie. Yereenigt Nederland zich niet daadwerkelijk met dien wil, dan is het onvermijdelijk, dat God onze koloniën geve aan een edeler volk, dat zijne heerlijke roeping beter begrijpt: — Dit is duidelijk voor ieder die zien wil.

Spreker wenschte van harte, dat Nederland zqne edelaardigheid in de geschiedboeken vermeld, hier zou toonen. Een kreet van diepe smart zou door het land gaan, wanneer God, na hetgeen ons reeds ontnomen is, ook de nog overblijvende koloniën wegnam.

Daarom meende de spreker dat het dringend noodig is, leeraren, ouderlingen, onderwijzers, catechizeermeesters, allen, die eenigen invloed kunnen uitoefenen op kerk en volk, aan de verpligting tot evangelie-verkondiging te herinneren, van harte biddende dat onze, met geringe uitzondering! gedoopte natie, niogt komen tot het geloof en tot gehoorzaamheid, aan den Koning der koningen en Heer der Heeren.

Bijlage I. Toespraak van D". w. stpkbns, te Loosduinen.

In den zomertijd zelfs gebeurt het, Toehoorders! dat de Hemel boven ons, dagen, ja weken aaneen, met wolken en donkerheid bedekt is. Hoe aangenaam is dan een enkele zonnige dag! Dan is het of alles herleeft, alles weder moed grijpt na zoovele treurige dagen. Hieraan gelijkt deze feestdag, mijne Hoorders! Reeds sedert lang was de kerkhemel niet helder meer, maar wolken en donkerheid omgeven ons nu sedert eenigen tijd. Gij bemerkt, ik doel op de geloofverwoestende prediking onzer dagen in zoovele gemeenten van ons dierbaar vaderland. Wij zijn in vele opzigten tot den feestdag van jezus opstanding teruggekeerd. Wederom weeklagen de Maria's, dat zij haren Heer hebben weggenomen, —wederom stemmen van die niet gelooven willen wat, — en zoolang zij niet zien, —

Sluiten