Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

toen ook nog na den zevenden omgang — zoo zullen ook eens de muren vallen van het Jericho der wereld voor het bazuingeschal des Evangelies en op het geloof der strijders.

Jericho's inneming — treffend gelijkend beeld voorwaar van den geestelijken strijd, dien het Godsrijk te voeren heeft tegen de Gode vijandige wereld, die zij veroveren moet voor den Heer. Treffend gelijkend beeld, want ook wij hebben: een zelfden strijd te voeren; een zelfde legerhoofd te gehoorzamen; een zelfde strijdvoering te volgen; een zelfde overwinning te verwachten. Ja, wij hebben een zelfden strijd te voeren. Kanaan toch was des Heeren, zijn eigendom en wettige bezitting. Dat land nu had de Heer aan zijn Israël, gegeven. Zij zouden bet eenmaal bewonen, en, ofschoon nog in de magt hunner vijanden, reeds bij voorraad mogten zij het rekenen als het hunne. Het zou eens zekerlijk het hunne zijn — maar eerst na strijd. Van hetgeen de Heer hun had beloofd en reeds gegeven, zouden zij zich alleen door strijd en al strijdende in het bezit kunnen stellen. Die strijd wachtte hen, dien strijd konden zij niet ontgaan. Maar het zou zijn een strijd om hetgeen reeds des Heeren was, om het bereids door Hem overwonnene. En van dien volgenden en langen strijd, zou de inneming van Jericho, die eerste, die sterk verdedigde van Kanaans steden, door Enaks-kinderen bewoond, het beeld zijn. Zooals het met Jericho gaan zou, zoo zou het gaan met alle volgende plaatsen, met gansch Kanaan.

Jericho, Kanaan — is het niet het welgelijkende beeld van die wereld, die door ons is te veroveren voor den Heer en zijn Koninkrijk? Die wereld is reeds de wettige bezitting van onzen Koning. Dat is zij geworden, toen Hij haar lijdende en strijdende gerukt heeft uit de handen des satans — maar die overwonnene moet nu gebragt worden onder de heerschappij van haren wettigen Gebieder.

Voorwaar, dat zou haar Koning kunnen doen zonder krijgsknechten. Maar het is zijn wil en bevel, dat wij dat Jericho en Kanaan nu strijdende voor Hem overwinnen. En nu is onze strijd, krijgsknechten des Heeren! slechts een strijd na 's Heeren overwinning, slechts eene in bezitneming van hetgeen reeds door Hem is overwonnen — maar een strijd, onder de stellige belofte van eene eindelijke en volkomene zegepraal. Vreest daarom niet, al is uwe legerschare slechts aan eene GiDEONsbende gelijk, en ziet gij u tegen-

Sluiten