Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Art. 2.

Ter bevordering van de eenheid en zamenwerking harer leden, vraagt de Vereeniging van elk hunner de verklaring: dat hij zonder eenig voorbehoud den weg des heils, gelijk die in Gods heilig woord geopenbaard en in de Nederduitsche Geloofsbelijdenis, en den Heidelbergschen Catechismus uitgedrukt is, belijdt de eenige ter zaligheid geopenbaarde waarheid te zijn.

Art. 3.

Wanneer de Vereeniging een wakend oog wenscht te houden op en te beraadslagen over de belangen der Kerk, dan bedoelt zij bepaaldelijk de belangen van prediking en onderwijs. De Vereeniging toch gelooft, dat de Nederlandsche Hervormde Kerk eene eigene belijdenis bezit, welke van die Kerk geheel en al onafscheidelijk is. Zij wil dat haar deze belijdenis, en niet de meening van eiken bijzonderen leeraar als waarheid worde verkondigd; zij stelt er niet slechts prijs op, maar acht het een dadelijk regt der Kerk te zijn, dat ook de kinderen der Gemeente in de Godverheerlijkende waarheden dezer Kerk worden onderwezen, en dien overeenkomstig opgevoed; zij gelooft dat Leeraren en Hoogleeraren geen regt hebben om allerlei wind van leenng willekeurig te verspreiden, maar dat zij als Dienaren der Kerk, inde eerste plaats geroepen zijn, om hare belijdenis te handhaven of anders hunne bediening neer te leggen. — Zij gelooft eindelijk dat de Kerk verphgt is, van de wereldlijke Overheid met allengepasten aandring te vragen, handhaving van het regt en de vrijheidder Kerk, vooral met betrekking tot de aanstelling

Sluiten