Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Na het eindigen der leerrede, werd Ps. 118: 12 gezongen, een gedeelte van het formulier voor volwassenen gelezen en de vader van het te doopen huisgezin, verzocht aan de gemeente mede te deelen, hoe hij tot de kennis der waarheid gekomen was. Hij voldeed hieraan op de volgende wijze:

Volgaarne voldoe ik aan het verzoek, thans geopperd, om op dit plegtig oogenblik met weinige woorden voor God en deze schare te belijden wat de Heer aan mijne' ziel heeft gedaan, hoe Hij met wonderbare getrouwheid mij en de mijnen tot dusverre geleid heeft, tot verheerlijking van Zijnen naam en tot zaligheid onzer zielen. Mijne zwakheid wel gevoelende, wensch ik toch niet te vergeten, dat Zijne kracht in onze zwakheid volbragt wordt, en met david en paulus wensch ook ik te spreken, daar de Heer naar Zijne genade mijne oogen en mijn hart, gelijk ik vertrouw, geopend heeft, om Zijne heerlijkheid te aanschouwen en in Hem te gelooven. He weet dat men met het hart gelooft ter regtvaardigheid, en met den mond belijdt ter zaligheid, en dat wie Hem belijdt voor de menschen, ook door Hem voor den Vader heieden zal worden. Komt dan, hoort toe, gij allen die God vreest, en ik zal vertellen wat Hij aan mijne ziel gedaan heeft,

In het jaar 1845 had ik kennis aan een Israëliet, die mij uitnoodigde met hem bij den Heer pauli té gaan, hetwelk ik in het eerst weigerde, maar waarin ik hij aanhoudende uitnoodiging toestemde. Ik ging dan op een Zaturdag met hem mede, en raakte met bovengemelden zendeling in gesprek. Hij vroeg mij vervolgens naar mijnen naam, dien ik hem niet regtstreeks opgaf, dewijl ik niet wilde dat men weten zou dat ik bij hem geweest was. Hij gaf mij een boek, namelijk de 5 boeken van mozes met Haftarot en collecte uit de profeten er achter. Ik kwam te huis en wilde dezelve met de Israëlitische schriften vergelijken, maar had geenen Bijbel. Ik kocht een Bijbel hij bovengemelden Israëliet, en begon de profetiën uit het boek dat ik van den Heer pauli ontvangen had met den Bijbel te vergelijken, maar vond toen stof genoeg om de bewijzen aangaande het Christendom tegen te spreken. Ik herhaalde evenwel mijn bezoek bij den Heer pauli , gaf hem regt mijn naam op en deelde hem mijne aanmerkingen mede omtrent de vergeleken profetiën over welker uitlegging wij het volstrekt niet konden eens worden. Hij verzocht mij mijne bezoeken bg hem te herhalen, hetwelk ik van tijd tot tijd deed, en wij spraken alsdan doorgaans over de waarheden van het Christendom. Ik kwam eindelijk zoo ver, dat ik eene zekere achting voor den persoon van Christus kreeg, maar kon hem toen nog onmogelijk als Gods Zoon erkennen of Goddelijke eer toeschrijven; ik kon ook het Nieuwe Testament volstrekt niet als de vervulling van het Oude Testament aanmerken, hetwelk de Heer pauli mij evenwel bewijzen wilde uit Jer. 31 : 31 en vervolgens. Maar het duurde ten minste wel twee jaren, eer wij het hierover eens werden, terwijl ik toen aanmerkte volgens Jer. 81: 34, dat wanneer zulks vervuld was, er geene zendelingen noodig zouden zijn, dewijl niemand zijn naasten of zijn broeder zonde leeren den Heer te kennen, maar zij alsdan allen den Heer zouden kenneu van hun kleinsten tot hun grootsten toe. Hij bragt mij toen onder het oog dat de zendelingen middelen waren, waarmede God werkte ten einde de menschen opmerkzaam te maken op Gods Woord. Ik las toen het

Sluiten