Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Nieuwe Testament nogmaals door, en vergeleek de vier Evangeliën, maar ook hierin vond ik veel tegenstrijdigs, daar de Evangeliën mij toeschenen dikwijls van elkander te verschillen. Ik vergeleek het geslachtregister in mattheus met 1 Kron. 3, hetwelk niet overeenstemde. Ik maakte toen een uittreksel uit beide geslachtslijnen, en ging daarmede naar den Heer chumaceiro , destijds redacteur van het Joodsche blad, hier ter stede uitgegeven, ten einde hetzelve in dit blad te plaatsen, doch hij weigerde dit. Hierop ging ik verder aan het onderzoek, doch alles bleef mij duister. Eindelijk las ik het 11e Hoofdst. van Jes. namelijk: "er zal een rijsje opgaan uit den afgehouwen tronk van isaï." Hieruit maakte ik toen op dat de geslachtslijnen moesten afgebroken zijn. Doch met dat al kende ik aan chhistos nog geene Goddelijke eer toe, ook kon ik mij nog niet vereenigen met eene Drieëenheid. Hierop leende mij de Heer pauli de werken van salomox dutts, die ik ook las, en hier breidde zich een wijd veld voor mij uit, en wel voornamelijk in het 3e deel handelende over Israëls verlossing en eeuwige behoudenis. Ik las en herlas deze werken en stelde er zoo veel belang in, dat ik ze mij zelf aanschafte. Van toen aan begon ik dikwijls met mijne broeders naar het vleesch te strijden, en wilde hun bewijzen zoowel uit den Bijbel, als ook uit hunne talmudische schriften, dat de Messias reeds moest gekomen zijn, en dat jezus van Nazareth die beloofde Messias is, volgens verschillende profetiën die ik hun aanwees. Ik wilde hen toen ook opmerkzaam maken op de ongerijmdheden en spitsvondigheden die hunne rabbijnsche schriften bevatten, waardoor ik het dikwijls met hen te kwaad kreeg, en zij mij braaf de huid vol scholden; anderen merkten aan dat ik met dien aard van zaken mijn hoofd niet moest breken. Hieraan gaf ik inderdaad eenigen tijd gehoor; maar de Heer wilde dit niet, dewelke Zijne genadehand aan mij gelegd had. Ik hield dit wel een tijd lang vol, maar was intusschen toch doorgaans alsof ik gejaagd was, en kon geen rust voor mijne onsterfelijke ziel vinden. In zoodanigen toestand bleef ik eenen geruimen tijd, en begaf mij op zekeren dag bij den Heer da costa, met wien ik vooraf wel eens gesproken had. Wij spraken ook over de waarheden in Gods Woord vervat, en hierop recommandeerde hij mij den WelEerw. Heer schwartz, die zich kort te voren bier te Amsterdam gevestigd had. Ik ging dan ook op deze aanbeveling bij bovengeuoemden Heer, en sprak met hem een' geruimen tijd. Hg verzocht mij ook vervolgens mijne bezoeken te continueren, waarvan ik ook gebruik maakte. Vervolgens predikte hij eiken Zaturdag in de Persiaansche kerk, waar ik hem regelmatig ging hooren, waarbij zich ook drie mijner broeders naar den vleesche voegden, die mij vergezelden en wekelijks met mij mede gingen bij bovengemelden Heer, ten einde in zijn huis de profetiën van jesaja met elkander te lezen. Mijne broeders hielden zulks niet lang vol, doch mij trok de Heer met Zijne ontfermende genade en de koorden Zijner liefde. Daar ik geen rust vond voor mijne ziel, sprak ik toen dikwijls met mijne vrouw over het Christendom, maar zij wilde er volstrekt niets van weten, en haar vooroordeel was zelfs zoo sterk, dat, wanneer ik een tractaat of ander godsdienstig boek met mij te huis bragt, zij dikwijls tegen mij zeide, dat ik zulke boeken niet moest in huis brengen, omdat ik hiermede het huis verzondigde; ja, dikwijls dreigde zij mij dezelve te verbranden. Alzoo wist ik hieromtrent niet wat aan te vangen, maar hier voorzag de Heer ook al weder in. Op zekeren tijd dat ik een boodschap had naar de Dtrechtsche straat, kwam ik toevallig, zoo als men zegt, de Hoogesluis voorbij. Hier zag ik in het bewaarschool

Sluiten