Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

wanneer de Staat eenige inbreuk op bare regten maakt of zoekt te maken, hierin te bewilligen, terwijl zij beweert, dat zij zelfs in geval zij er genegenheid toe gevoelde, geen afstand zou mogen doen, van de verantwoordelijkheid .en van de pligten haar door Christus opgelegd.

JDaar de Kerk, volgens deprotestantsehe opvatting, uit twee klassen van menschen bestaat, namelijk uit opzieners en uit leden, zoo wordt het algemeen beginsel, hierboven aangevoerd, op beide deze partijen toegepast. Ten opzigte der eerstgenoemden houdt men vast, dat zij in al die verrigtingen, welke hun als beambten in de huishouding Gods eigen zijn, met name in het aanstellen of afzetten van leeraars — zoowel als in de gewone uitoefening van tucht over de lidmaten der kerk, onderworpen zijn aan Christus en aan Zijn Woord alleen. De gemeenteleden echter hebben ook eigenaardige regten en verantwoordelijkheden , die door geen enkele magt op aarde onderdrukt, noch door henzelven vernietigd worden mogen, omdat ze onmiddellijk van Jezus Christus zeiven uitgaan. Hieronder behoort inzonderheid het regt van hunne toestemming te weigeren of te geven bij de benoeming van een leeraar, wiens roeping het zijn zal onder hen te arbeiden in den Heer. Een gemoedelijk bezwaar, om den zoodanige aan te nemen, zoude zijne benoeming ten eenemale beletten. Zulk een bezwaar van de zijde van Christenen geopperd, wordt geacht op gronden te rusten; doch het is niet de vermelding dezer gronden, die de verwerping geldig maakt. In geval de Kerkeraad (Presbytery) reden heeft om te vermoeden, dat er eenig ongegrond vooroordeel in het

Sluiten