Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

als koningen en priesters aangesproken, nogtans bestendig in eenen staat van onmondigheid gehouden worden; wanneer die leden alleen ooren mogen hebben, om al de onbijbelsche, zielverdervende en Godonteerende filosofiën en ketterijen te hooren, die in de gemeente zoo op als onder den kansel gesproken worden; of oogen, om al de wanordelijkheden, sabbathschendingen en ontuchtigheden te zien, die door leden der gemeente schaamteloos^en onbestraft gepleegd worden — maar geene stem, om die tegen deze ergernissen te verheffen, dan inderdaad is het bezit van zulke leden voor de gemeente even onnut, als hunne afscheiding een verhes heeten mag. En wij vragen hier, Eerwaarde Heeren, wat kan een geloovig lid, ook met den besten wil en ijver bezield, in de Nederlandsche Hervormde gemeente doen? Hij kan, het is zoo, voor de gemeente, hare Leeraren en Ouderlingen bidden. Hij kan in zijn dagelijksch verkeer zijne medeleden door woord en wandel in de vreeze Gods voorgaan, en wij zijn er verre af dit gering te achten. Maar, Eerwaarde Heeren! dit alles kunnen en zullen wij blijven doen, ook als wij geene leden der Gemeente meer zijn. Maar zoo er een Leeraar beroepen zal worden, welke gelegenheid heeft een lid om zijne stem uit te brengen ten gunste van eenen man, dien hij een zegen acht te zijn voor de gemeente? Of welke magt bezit hij om mede te werken ter verhindering, dat een openbaar bekend bestrijder der waarheid met dat gewigtig ambt bekleed wordt? Ja, welke gelegenheid is hem gegeven om, zoo veel in hem is, zich er van te verzekeren, dat de vergadering der Ouderlingen en Diakenen uit mannen zamengesteld wordt, die in staat en gezind zijn acht te hebben op

Sluiten