Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

woord bevolen, dat de Leeraren Zijner Gemeente uit de liefde harer leden zullen onderhouden worden, en heeft Hij ergens geboden, dat eene andere magt, buiten de Gemeente, ter ondersteuning harer herders een fonds zal daarstellen, waartoe ook de Jood en de Heiden door Staatsgezag genoodzaakt zou worden, willens of onwillens, zijne penningen bij te dragen? Is het niet eene algemeen erkende waarheid, dat men een dienstknecht wordt desgenen, van wien men bezoldiging ontvangt? En indien dan de Herders en Leeraren der Gemeente hunne bezoldiging uit de Staatskas trekken, zijn zij dan dienaren van de Gemeente of van den Staat? Hoe, Eerwaarde Heeren! wij behoeven ons van deze bewijsvoering niet eens te bedienen, om aan te toonen, dat de Kerk in volstrekte af hankelijkbeid van den Staat gebragt is. Eene Staatswet zelve immers verklaart onbewimpeld, dat de Hoogleeraren, die de jongelingen der gemeente aan de Hoogescholen tot Leeraren moeten opleiden, Staatsbeambten zijn, alzoo zelfs, dat de Kerk niet eens de magt of bevoegdheid heeft de benoeming of aanstelling dier Hoogleeraren te regelen. Wij zijn er verre af, Eerwaarde Heeren! aan 'sLands overheid, en met name aan onzen geëerbiedigden aardschen Koning, die eere en onderdanigheid te weigeren, welke Gods woord ons voorschrijft. Maar wij vragen: Wat heeft de Gemeente Gods in deze dingen met den Staat te maken? Heeft zij in den kring van haar geestelijk leven nog eene andere overheid ter gehoorzaming bekomen, dan haren eenigen, oppersten Herder jezus Christus? Is niet Hij de eenige souverein in Zijne Kerk? En zoo ja, wordt er dan niet aan Zijne souvereine regten te kort gedaan. wanneer men aan een mensch, van ge-

Sluiten