Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

lijke bewegingen als wij, hoezeer ook overigens wegens zijne hooge betrekking te achten en te eeren, het regt der approbatie van het beroep eens Leeraars toekent, alleen omdat hij buiten de Kerk eene koninklijke kroon draagt? Is dit niet de regten en magten in de Kerk uit te deelen en te regelen, niet naar de geestelijke gaven, die men in chkistus jezus, maar naar het tijdelijk aanzien, den rijkdom, de magt of de eere, die men in de wereld bezit? En waar dit beginsel in de Kerk niet alleen openbaar gehuldigd, maar zelfs als grondslag van het kerkelijk bestaan gevestigd is; waar aan de geestelijke koningen en priesters alle magt en vrijheid ontnomen is, om die in handen van de aardsche vorsten en koningen over te dragen; waar de bronnen der Kerk, de aanstelling namelijk der Hoogleeraren, bij magt eener Staatswet ter beschikking gesteld zijn van eene Overheid, die zelfs. Boomschen en Joden onder hare leden tellen kan, daar vragen wij, Eerwaarde Heeren! welke grond van hoop er nog overblijft, dat er ooit in den ongerijmden, verwarden en mitsdien verderfelijken toestand der Kerk eenige voldoende verandering zal kunnen komen? Wij weten, het is zoo, dat God magtig is wonderen te doen, en dat de hand des Heeren niet verkort is, om te Zijner tijd Zijne souvereine regten te handhaven. Maar het is onze roeping niet, noch van de Gemeente Gods, op wonderen te wachten, waar wij de gelegenheid open zien de slavernij en het verderf terstond te ontvlieden. Mogt het den Heer zijner Gemeente behagen de Kerk uit hare kluisters te verlossen en als Zijne vrijgekochte bruid van alle juk, zoo der leugen als der dienstbaarheid, vrij te maken, zoo hopen wij onder de eersten te

Sluiten