Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Christendom en de Bijbel worden aangevallen en aangaande God, zonde en genade, den persoon en het werk des Hoeren, met het Evangelie ten eenenmale strijdige begrijpen medegedeeld worden;» eene prediking, die met den geest en de hoofdzaak der belijdenis spot en «de weezen bij de grave» hunner ouders de opstanding van Jezus leert, ontkennen.»

Gaat dit adres uit van de overtuiging, dat de prediking van den heer Zaalberg en zijnen ongenoemden ambtgenoot in strijd is «met den geest en de hoofdzaak der Hervojrmde belijdenis,» waartoe zich de aanstaande leeraars bij hunne toelating tot de Evangeliebediening verbinden, hetzelfde is het geval in het adres van den Bijzonderen Kerkeraad der Nederduitsche Hervormde Gemeente te 'sGravenhage van 10 Mei 1864, geregistreerd onder n°. 580. De Kerkeraad nam aanjeiding tot dit adres uit een schreven van B. B. Ouderlingen, die,.hoezeer verklarende dat het beoordeelen van de leerstellingen der Moderne Theologie en het bepalen van hare waarde hunne kennis te boven gaat, echter van oordeel zijn, dat deze leer «eene vreemde leer is», waarin «gewigtige wijziging in de waardering, der hgbelboeken wordt waargenomen,» en «die in strijd is met art. 27 van het reglement op het examen.» Zij oordeelen dat de Moderne Theologie, door de wonderen te ontkennen, leert, «datdebybeiboeken, welke wonderverhalen behelzen — geen onbepaald ver-? trouwen meer verdienen» en dat die Theologie derhalve niet overeenstemt met de verklaring, dat deze boeken «Gods Woord» bevatten. In overeenstemming met dit schrijven van B. B. Ouderlingen , verklaart ook de Kerkeraad dat de Moderne Theologie, «die Jezus niet eerbiedigt als den Christus naar het Evangelie, en in Hem niet als haren Heer gelooft, ophoudt met regt zich naar Zijnen naam te noemen.» Op grond hiervan vraagt de Kerkeraad, zonder echter eene kerkelijke procedure te willen uitlokken «dat de Synode zich uitspreke omtrent de verpligting, zoo van Ouderlingen als van den Bijzonderen Kerkeraad ter handhaving der leer, bij art. 11 van het algemeen reglement den Kerkelijken Besturen aanbevolen.»

Sluiten