Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Weleerwaarde Heer!

Had nu ruim een jaar geleden een uwer Collega's de aandacht van de lezers van het //Maandschrift," gevestigd op de Vrije Schotsche Kerk — thans dacht het UEerw. goed, in hetzelfde Maandschrift te spreken over de zending onder Israël, die van genoemde Kerk uitgaat. Daar ik noch tot die matig-vrijzinnigen behoor, die de bladen niet lezen welke met hunne rigting niet overeenkomen, noch tot die vrijzinnigen, die zelfs anderen opwekken, om door een stilzwijgen van eenige maanden, dergelijke bladen te dooden, — maar gaarne kennis neem van alles wat in den lande mag gerekend worden van eenig gewigt te zijn, zoo is mij dan ook uw stuk //Jodenbekeering" onder de oogen gekomen, hetwelk reeds door zijnen titel mijne aandacht trok.

Bij uwe veelzijdige bekwaamheid, bij uwen hoogen oudeir dom, en bij den grooten invloed die door UEerw. over velen wordt uitgeoefend, was het mij zeer belangrijk om te vernemen , hoe UEerw. over dit, voor mij uit den aard der zaak bij uitnemendheid gewigtig onderwerp, oordeelt. — In uw stuk toch wordt, hoewel mijn naam daarin niet uitdrukkelijk is genoemd, zoo duidelijk op mij gezinspeeld, dat ik meen van geene ligtgeraaktbeid te zullen beschuldigd worden, wanneer ik mij en mijn werk als bepaaldelijk aangevallen, bebeschouw. In al wat ik zeggen zal wensen ik niet te verge-

Sluiten