Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ten, dat reeds de wet van Mozes gebiedt den grijsaard te eerbiedigen en voor den oude van dagen op te staan. UEerw. zal evenwel niet van mij verlangen, dat ik om des grijzen leeraars wille, den eiscb der billijkheid en der waarheid onbevredigd late.

UEerw. spreekt beide in het opstel over //Jodenbekeering" en in het onmiddelijk daarop volgende //Woord voor het oude volk van Jehova" óver de Joden, over de zending onder hen, over de beweegredenen die ons tot liefde voor Israël moeten dringen, en over de middelen die tot evangeliseering van dit volk worden aangewend.

De beide voor mij liggende stukken uit uwe hand, doen mij vermoeden dat UEerw. noch de Israëlieten, noch de zendelingen, noch de wijze waarop deze prediken, noch de redenen waarom den Joden het Evangelie moét verkondigd worden, kent. Laat mij hier nog bijvoegen dat, zoo er bij UEerw. en uwe lezers geene grootere drangredenen tot liefde voor Israël bestaan, dan de door U opgenoemde, ik vreezen moet, dat die liefde noch zeer vurig, noch zeer volhardend wezen zal.

Het spreekt wel van zelve dat hiermede geen oordeel over uwen persoon geveld isj ik geloof integendeel gaarne dat de zoon van den Schrijver van // De peinzende Christen" nog andere drijfveeren kent; doch ik spreek hier slechts naar aanleiding van hetgeen ik las.

ïl Ik heb beweerd dat UEerw. de Joden niet kent. UEerw. maakt onderscheid tusschen gansch onkundigen en Eabbijnen, tusschen eenvoudigen en rationelen, of ook wel tusschen eenvoudigen en denkenden; — en terwijl UEerw. aan de zendelingen eenigè bekwaamheid toekent, om de onkundigen over te halen, vermeent gij dat zij den geleerde, den schrandere, den zelfs eenigermate tot geloof neigende, door hunne wijze vart* spreken niet zullen winnen, maar terugstooten.

UEerw. schijnt van de veronderstelling uit te gaan, dat

Sluiten