Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zelve in aanraking gekomen zijt. Noch de personen, noch hunne geschriften kent gij. En nu vraag ik U, of het billijk: zij zonder kennis van zaken en personen een oordeel te vellen ?

Door ü wordt de vraag geopperd: .//Wat voor de bekeering der Joden onder ons de meerdere vrucht belooft — de prediking van bekeerde Joden, zoo als de gezondenen uit Engeland, uit de Vrije Schotsche en Episcopale kerken, of geboren Christenen en wel ernstige, hartelijke, ijverige als de Joden missionarissen, maar tevens matig-vrijzinnige." Deze vraag is voorzeker voor iemand, die in het eeuwig heil van Israël belang stelt, der overweging zeer waardig. Uit haar mogen wij opmaken, dat UEerw. het noodig acht dat het Evangelie aan Israël verkondigd worde; ook meehèn wij niet te ver te gaan met te beweren, dat de wijze waarop gewoonlijk in de Christelijke Kerken gepredikt wordt, u voor Israëlieten niet voldoende toeschijnt. Trouwens, daar wordt het Nieuwe Testament verondersteld als Goddelijk gezag hebbende; daar wordt in Chkistüs de beloofde Messias gezien, en komen de bezwaren, die in het Israëlietisch hart oprijzen, niet in aanmerking. Hierin nu stem ik volkomen met UEerw.. overeen.

De vraag of iemand uit Israël of een matig vrijzinnige het best geschikt zij om de Joden te evangeliseren, komt mij vóór niet geheel juist te zijn gesteld, want ook een bekeerde Jood kan matig-vrijzinnig zijn. UEerw. wil dus zeggen: een regtzinnig bekeerde Jood of een matig-vrijzinnig geboren Christen; want naar uw oordeel heb ik, zendeling van de Vrije Schotsche Kerk alhier, twee dingen tegen mij; le. dat ik ben een geboren Israëliet; 2". dat ik regtzinnig ben.

Dat er tegen een Israëliet, die Christen geworden is, bij zijne broederen weêrzin'en wantrouwen bestaat, geef ik UEerw. toe; maar UEerw. schrijft verder: //er komt nog al bij dat de renegaat erger is dan de ketter, waaruit ik het wel niet verwacht, dat de Christen-Jood in onzen tijd gelijk in de vroege eeuw, kon hij ook, zijn ongeloovigen broeder om halsstarrigheid tost vervolger wezen zal, maar toch vrees al te scherp

Sluiten