Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

voorwaardelijke toegenegenheid steeds het deel der Middelburgsche leeraren was, welke sints het jaar 1847, onder de prediking van D\ J.R. de Bboijne, J. P. Hasebuoek, B. J. H. Taats, J. J. L. ten Kate, en J. C. Hentzepeteb, aanmerkelijk was toegenomen.

Geen wonder dan ook, dat velen der gemeente-leden de handeling van hunne predikanten, als eene onschuldige aangelegenheid beschouwden, welke beschouwing haren grond mede vond uit de onbekendheid met hetgeen inde laatste jaren op het gebied van den Kerkelijken strijd voorviel.

Yelen der Middelburgsche gemeente-leden waren dus onverschillig met betrekking tot deze aangelegenheid. Anderen daarentegen, die zich geroepen zagende handelingen van hoogere en lagere Kerkbesturen, vooral in den tegenwoordigen tijd, na te gaan, erkenden in het nieuwe ambtsgewaad eene vrucht die door den schadelijken boom, (het Hoogste Kerkbestuur), werd afgeworpen, en gevoelden zich geroepen in die vrucht, den boom zeiven te bestrijden.

Weinig werd er op gerekend dat een eerste adres, in eenvoudigheid zamengesteld, aanleiding zou geven tot de gevolgen die daaruit tot op heden zijn voortgevloeid, en die thans eene zoodanige hoogte hebben bereikt, dat de tijd geboren schijnt, waarin de Nederduitsche Hervormde gemeenteleden, en met haar alle belangstellenden zich niet meer in gissingen behoeven te verdiepen, wat toch die Kerkstrijd te Middelburg beteekent.

"Voorzeker; het zou eene kortzigtige en bekrompene zienswijze mogen heeten, indien eenige ellen laken of grijn met een' fluweelen kraag, bef en barret de bronnen waren waaruit die strijd voortvloeide; de lezer worde daarom verzocht, het oordeel op te schorten tot na de kennisneming

Sluiten