Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Overpeinzingen van eene Christin.

„Heere! zend Uw licht en Waarheid neder, dat die mij geleiden, want ik zou vreezen niet tot Uwe eer te schrijven en mijzelve niet op het diepst te vernederen."

Deze bede vloeide mij van de lippen, toen ik de pen had opgenomen om mgne bevindingen en ervaringen aan het papier tóe te vertrouwen. Mocht het zijn, dat de Heere er Zijn onmisbaren en algenoegzamen zegen over wilde gebieden, opdat ook ik in mijne eenzaamheid nog eens verwaardigd werd een steentje aan het Godsgebouw toe te voegen, een onderdaan te winnen voor Zijn eeuwig Koninkrijk.

Ik sprak daar van mijne eenzaamheid, en terecht. Ik leef als een vergeten burger, en rijkdom naar de wereld heb ik nooit gekend; integendeel; mijne dagelijksche bete is zeer sober, en in dubbelen zin moet ik van het gegeef leven, want mijn lichaam is zóó zwak en broos, dat ik hoegenaamd niets kan uitrichten. Maar toch zou ik mijn stand niet willen ruilen voor duizend werelden, ivant in dien stand ben ik als het gras, dat zich onder stormen laat buigen, maar daarna het hoofd weer opbeurt, ongekwetst en onbezeerd. Zij, die het lot der armoede dragen, ontvangen de gaven uit de hand hunner medemenschen — van Hem, die het al regeert. Milde handen, vriendelijke oogen, niets ontbreekt hun. Goddelijke trouw zal nooit of nimmer bezwijken, ook als de bergen wijken en heuvelen wankelen.

En nu, telkens als ik in den middellijken weg door den Heere begunstigd word, dan moet ik mij in het stof bukken,

Sluiten