Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Uit den overvloed des harten spreekt de mond.'' — Dat ondervinden vooral de wandelaars naar het hemelsch Jeruzalem, en ik kan dan ook niet zwijgen van hetgeen mij gisteren, op den dag des Heeren, mocht te beurt vallen.

Zeer neêrgedrukt zijnde, besloot ik eene wandeling in Gods heerlijke natuur te gaan doen, voor zoover mgne zwakke krachten mij zulks vergunden. Al peinzend liep ik zachtkens voort, en toen kwam mg dit versje voor:

Gij maakt eerlang mg' 't levenspad bekend, Waarvan in druk 't vooruitzicht mij verheugde; Uw aangezicht, in gunst tot mij gewend, Schenkt mij in 't kort verzadiging van vreugde. De liefhjkheên van 't zalig hemelleven Zal eeuwiglijk Uw rechterhand mij geven.

Opgewekt door die heerlijke woorden, riep ik uit: „Eerlang, Ja! Maar hoe lang nog, Heere, mijn God? Zie hier deze eenzame, die zich als op een vreemden bodem bevindt. O! reik mij spoedig de hand om den overstap te doen uit eene zinkende wereld in dat zalig hemelleven!" — Doelloos wandelde ik verder en zag, dat ik ongemerkt genaderd was tot den akker der dooden. Al dieper en dieper drong mijne ziel door tot in het binnenste Heiligdom, over graf en dood henen, in die heerlijkheid, welke aan mij zal geopenbaard worden. Ik moest eenige oogenblikken blijven stilstaan, en toen 'dacht ik aan mgne geliefde doode, die reeds lang, boven het stof verheven, in den hemel triomfeert. „Ja!" — zei ik:

Eerlang zal ik met u rusten , 'k Rijp nu vast voor d'eeuwigheid, 'k Staar vast op die blijde kusten , Waar mij 't hoogst geluk verbeidt.

O! was mijn wensch in die oogenblikken Vervuld geworden, dan waren de grendels van mijne gevangenis terstond open-

Sluiten