Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

wereld zal ten toon spreiden. En de Heere zegt, dat de bevende schare, het volk, dat Zijn Naam op aarde gedenkt, — dat zij te dien dage Zijn kostelijkste schat zullen uitmaken en voor eeuwig Zg'n eigendom zijn.

Na een barren Winter is eindelijk weêr de Lente gekomen. Hoe heeft de Heere in dit opzicht alweder vaderlijk gezorgd, en hoe kunnen zij, die oogen hebben gekregen om te zien, ook hierin Gods onveranderlijke trouw opmerken. Niets is toch zoo regelmatig als de opvolging van dag en nacht en de wisseling der jaargetijden. Hoe heerlijk is het aldus rondom ons heen te zien, op de standvastige wetten in het stoffelijk heelal, en ze als bondzegelen van de genade te beschouwen, als stilzwijgende getuigen van de onkreukbaarheid van het Woord en de beloften Gods. Waarlijk, ■ zij mogen wel het opschrift dragen: „God, die niet liegen kan." — De Heere doet daaromtrent eene uitdaging aan het schepsel, zeggende: „Indien gij de zon kunt beletten op te gaan; indien gij spaken in hare vurige wagenraderen kunt steken en haar beletten onder te gaan; indien gij de maan kunt beletten hare zilveren lamp aan het lichtgewelf op te hangen, — dan, maar ook niet eerder, zal Ik Mgn verbond met Mijne uitverr koren dienstknechten verbreken."

Ik sprak daar van de maan, en daarbij denk ik nog aan hetgeen mg mocht gebeuren, toen ik omstreeks twintig jaren oud was. Ik stond in den tuin, terwijl de maan in al haar luister aan den onbewolkten hemel prijkte. Met de oogen naar boven geslagen en de handen gevouwen, sprak ik tot mijnen God. Wat ik zeide of vroeg, weet ik niet recht meer onder woorden te brengen, maar wel herinner ik mij levendig, dat ik eene belofte kreeg. Die belofte was echter' zóó heerlgk, dat het wonder mij veel te groot voorkwam en ik haar niet durfde aannemen. Daarom riep ik uit: „O, Heere! bedrieg ik mij soms ook? Is het misschien de Satan, verschijnende als

Sluiten