Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Daar is mijn hart geheel en al! Of 't wil, of 't kan, — het moet en zal, . 't Moet U, mijn Heiland! minnen. TJ, lieve Jezus! II alleen, U, zoete Jezus! anders geen;

En wil 't niet, — dring er binnen. Dring het — dwing het, Doe het zwichten voor Uw schichten;

Al zou 't scheuren, — Dring er in, en 't zal niet treuren.

Toen ik krank was van liefde tot Jezus en het hier op aarde niet meer meende te kunnen uithouden, toen kreeg ik van den Heere de toezegging, dat ik niet zou sterven, maar dat er een weg voor mij lag, bezaaid met distelen en doornen, — en daarna zou Hij mij opnemen in heerlijkheid. Die belofte kwam achteraan, opdat ik zou gelooven, dat de weg, dien ik blindelings had te volgen, bij Hem was bepaald. Tot aan mijnen dood toe moest mij een scherpe doorn in het vleesch steken, opdat ik leeren zou mijzelve niet te verheffen. De Heere wilde mij in de vallei des ootmoeds houden, om mij de kracht van het alverzoenend bloed voor mijzelve meer en meer te doen gevoelen. Wien veel vergeven is, — die heeft ook veel lief, en ééns in Jezus' schaapskooi, blijft men er in voor eeuwig. Is er een schaap afgedwaald, — de goede Herder zoekt het zelf weêr op, en dat wordt Hij nimmer moede, hoe vaak zich die afdwalingen ook herhalen. Ja, die eenenvijftigste Psalm, — dat is ook • de mijne. Ik heb al wat menigmaal uitgeroepen: ,0, David! ik ben het met u ééns; ik versta u zoo goed! Het is waar: alle dingen werken mede ten goede, zelfs de zonde."

Doch men versta mij wèl! Niet de zonde als zonde, in haren eigen aard beschouwd, maar in de gevolgen. Daarom staat er ook geschreven: „Zullen wij het kwade doen, opdat het goede daaruit voortkome? Zullen wij zondigen, opdat de

Sluiten