Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

gij niet langer op den ingeslagen weg kondet voortgaan. Ach! ik bid u in den Naam des Heeren: laat u met God verzoenen! Zoolang gij nog in het heden der genade zijt, kunt ge nog worden gered. Maar indien gij geen boetering, geen smeekeling en bedelaar aan de voeten van den Heere Jezus wordt, — helaas! het zwaard is reeds gewet; het slingert reeds aan een zijden draad boven uw schuldig hoofd, en de eeuwige duisternis zal uw loon zijn.

De verdoemden in de hel, ach! wie weet hoe zij hunkeren, om, indien zulks mogelijk ware, dergelijke roepstemmen, dergelijke aanprijzingen van den dienst des Heeren nog eens te vernemen. Wat zouden zij niet willen geven om nog slechts éénmaal in de gelegenheid te zijn het Evangelie des heils te hooren verkondigen. Doch — het is te laat! Het heden der genade is onherroepelijk verleden. En gij, lezers en lezeressen! wie gij ook zijn'moogt, zal dat ontzettend te laat! — te laat door eigen schuld, ook voor u, helaas! de hel in de hel zijn?

Alleen genade ons bevrijdt van vloek en helsche pijn, Want ons bestaan is veel te slecht om rein voor God te zijn. Geen menschenkind, die zondaar is, kon ooit voor God bestaan; Wijl hij Zijn wetten niet betracht, moest hij verloren gaan.

Maar God, die ons het aanzijn gaf, schonk ons Zijn eigen Zoon, En wat Hij in dien Zoon belooft, is vrij genadeloon. Het beste van den besten mensch is zonde, ver van goed; Dies zij mijn eenige toevlucht dan des Herlands dierbaar bloed.

Ik begin zoo aan alles te merken, dat ik vooruitga en misschien dichter bij mijn tehuis ben dan ik zelf nog wel weet of vermoed. Mijn pelgrimstocht begint mij moeilijk en zwaar te vallen, en ik ben lusteloos en afgemat van den strijd op deze levenszee. Hoe langer hoe meer begint al het

Sluiten