Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ziel weêr verheugd uit: „Maar big vooruitzicht, dat mij streelt!" En zij voegt er bij: „Zij, die gelooven, haasten niet. Vertoeft de Heere, — ik zal Hem verbeiden. Eenmaal toch zal Hij gewisselijk komen." — Het overige . van mgn leven moge dan een treurig Winterlandschap zijn; de eens zoo zonnige dalen en heuvelen mogen met sneeuw zijn bedekt, — er is eene heerlgke herleving, een tijd der wederopstanding, eene eeuwige Lente aanstaande. Nogeens:' welk een blij, welk een zalig vooruitzicht ! Daarover te schrijven, daarvan te spreken, zie! dat verkwikt mijne ziel. Daardoor gevoel ik mij opgewekt om den Heere te aanbidden en te loven. Ja, dat deed ook een David; en al heb ik daar nu maar een kruimeltje van, — ik heb er toch kennis aan. Davids God is ook mijn God. Ik ben met Christus gekruist; en Hij, die mij liefgehad en zichzelven voor mij heeft overgegeven, — Hij leeft in mij! Die Jezus, dien ook mgne zonden doorstoken hebben, Hij is de Rotssteen van mijn hart en mijn deel in eeuwigheid. Bij een blik op Zijn kruis moet ik bij vernieuwing tranen storten, tranen van zondenrouw. Dan roep ik met Hagar uit: „Heb ik ook omgezien naar U, Gij God des aanziens! die mij heeft aangezien!" En zoo krijgt ten slotte genadie weêr alleen de eer!

Loof den Heere, mijne ziel! en vergeet geene- van Zijne weldaden! Hg' verzadigt mijnen mond met het goede. Hij is mijn Herder, en daarom heeft het mg nog aan niets ontbroken, evenmin als het nhj immer aan iets ontbreken zal. Hg' deed mg' nederliggen in grazige weiden. Hij voerde mij zachtkens aan zeer stille wateren. Ja, U loof en aanbid ik, mgn God en Vader! die den oversten Herder der schapen, door het bloed des eeuwigen Testaments, uit den dood hebt wedergebracht! Ik loof ook U, o, Heilige Geest! die de Bewoner van mijn hart zijt. Uw geblaas voert den wind in de zeilen van geloof, hoop en liefde.

En nu, de Heere zij of worde ook üw Herder! Dan zal Hij u voeder toereiken, en gij zult bij Hem vrede vinden.

6

Sluiten