Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

bij zal takken voortbrengen en vrucht dragen; en hij zal tot een heerlijken ceder worden, dat onder hem wonen zal alle gevogelte van allerlei vleugel; in de schaduw zijner takken zullen zij wonen. Zoo zullen alle boomen des velds weten, dat Ik, de Heere, den hoogen boom vernederd heb, den nederigen boom verheven heb, den groenen boom verdroogd en den drogen boom bloeiende gemaakt heb. Ik, de Heere, heb het gesproken en zal het doen,"

Onder al hetgeen, waarin ik nog boven duizenden ben bevoorrecht, moet en mag wel allereerst genoemd worden, dat mijne ziele zoo gedurig verkwikt en gelaafd wordt door de prediking des Woords, door de verkondiging van den vollen raad Gods, en dat wel door een heilgezant, die kennelijk met het licht van Gods genade is bedeeld en door den Heiligen Geest bizondere gaven heeft ontvangen. Bij vernieuwing mocht ik dat gisterenavond weêr ervaren, toen hij den tekst, dien ik hierboven geheel afschreef, Ezechiël 17: 22, 23 en 24 tot grondslag zijner rede had gelegd. Ik had nog nooit over dat onderwerp hooren prediken, en ik was dus ook zooveel te begeeriger om te vernemen wat de Evangeliedienaar er van zeggen zou. Nu, ik zag mij in mijne hoog gespannen verwachting niet bedrogen, en tevens werd het alweder bevestigd, dat de Heilige Schrift eene goudmijn, eene onuitputtelijke bron van den besten troost is in alle omstandigheden des levens.

Ik draag van het gehoorde meer in mgn binnenste om dan ik meêdeelen kan, maar toch wil ik beproeven er iets van te zeggen.

Die „hooge ceder" — dat was de Christusboom, en het „teedenfc, jonge takje," dat de Heere van dien hoogen ceder zou afplukken — dat was de Heiland, die in de volheid des tijds in de wereld zou komen als de beloofde Messias, hetwelk de Heere in deze profetie zoo krachtig getuigt: „Ik, de Heere, heb het gesproken en zal het doen." En „het

Sluiten