Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ieder geloovige is bij geen koning der verschrikking, maar een engel der vertroosting, die hem de eeuwige verlossing van zonde en de jammeren der zonde aankondigt, — de eerste lichtstraal van den morgenstond, die den zaligsten dag voorafgaat.

O! als ik in de boot zal stappen om over te varen over de Jordaan des doods, dan zal mgn Jezus zelf de touwen losmaken; dan zal ik uitroepen:

Nu word ik door dien Hemelkoning

Afgelost van mgn post, Van den strijd uit deez' tijd

Geleid naar de eeuwige woning.

Ik ben een paar dagen geweest, dat ik naar Jezus verlangde, ja, om Hem riep, evenals een kind om de moederborst. Ik haakte er zoo vurig naar om Zijne nabijheid te genieten en uit te rusten aan Zijne borst. O! als ik bedenk hoe Hij de dierbaarheid zelve is; als ik daarbij naga hoe Hij ook mij gegeven is tot rechtvaardigmaking, tot heiliging en verlossing, dan zeg ik met de Bruid in het Hooglied: „Zulk een is mijn Liefste! Zulk een is mijn Vriend!" — Welken naam ik dan ook moge geven aan mgne behoeften, mijne nooden eri verdrietelijkheden, — mgn Verlosser draagt een Naam, die mij een zekere waarborg is, dat ik al mijne bekommernissen gerust op Hem kan werpen. Al wat mijn lieve Heiland voor mij doet of toelaat, is uit liefde; en al kan ik dat niet altijd begrijpen of doorgronden, het is toch waar!

In dien zaligen toestand verkeerende, dacht ik, dat de Heere wel spoedig toetreden zou, maar — ik ben er nog; ik heb nog tot den bloede toe niet gestreden. En terwijl ik daar zoo zat te peinzen, met den opengeslagen Bijbel vóór mg, dien ik alweder met tranen had besproeid, — schiet de Satan een vurigen pijl op mij af en zegt: „Je gelijkt wel eene zottin, om je zoo aan te stellen! Als alle menschen zoo deden, dan was er niemand geschikt voor zg'n werk! Doch het zal zoo-

Sluiten