Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Wat ik daarna geleden heb, ik vermag het niet te schilderen.

Alleen Uwe (Dr. Mensinga) warme deelneming in mijn zwaar kinderbed richtte mij eenigermate op. En eindelijk, toen Gij mij alle verdere zwangerschap verboden en mij daartegen bet middel toegezegd had, voelde ik, ook zonder de toegediende artsenijen, mijne genezing naderen. Het was even voor Paschen. Ik geloof niet, dat dit heilige opstandingsfeest ooit door iemand met een gelukkiger gevoel tegemoet gezien is. Ik was nog ziek, doch in mijn hart was ik gezond. — Ik heb thans het tweede Paaschfeest sedert achter mij. Gij kunt in mij een der gelukkigste vrouwen onder Gods hemel zien. Want ik mag mijn goeden man weder liefhebben, hem den zwares tp, dien hij met mij doorleefde, doen vergeten, zonder dat ik de bestraffende stralen van der kinderen oogen behoef te vreezen. Zij roepen mij nu niet meer toe: »Moeder, blijf bij ons!" want ik blijf. Het ontgaat hun niet. Zij zijn integendeel hartelijker, opgeruimder, omdat ik ze vrooljjker aanschouwen kan en mag. En mijn goede, brave man? — hij was mij getrouw gebleven, hoewel hij soms ook moeilijke oogenblikken van beproeving te doorstaan had. Hij heeft mij alles medegedeeld, gelijk ik hem. Dat er zulke zalige aren zijn kunnen, geen onzer geloofde het! —De vroegere gelukkige uren zijn een kinderspel daarbij!"

Aldus de belijdenis van deze, door huwelijksnood zwaar beproefde vrouw.

De tweede, eveneens uit dankbaarheid gedane, is van eene dame, wie ook door MENSINGA hulp verleend werd bij de toepassing van een voorbehoedmiddel tegen verdere zwangerschap. Zij wijst op eene opvallende overeenstemming in den zielstoestand, en luidt ongeveer als volgt: »De zwangerschap van het vijfde kind veroorzaakte mij veel lijden, want daarbij ontwikkelde zich mijn »voorste scheedeuitzakking," welke dikwerf met , een lastigen witten vloed gepaard ging. Het viel mg daarmede gemakkeigker mgn eigen geslachtsgenot geheel te onderdrukken, omdat Ik de toekomst zorgvol Inzag, mgn plaatselijk lijden toenam en Ik aan een zekere onrust, ontevredenheid met mij zeiven, begon te lijden, terwijl het dagwerk dikwerf mijne krachten te boven ging. Dikwerf had ik het op de lippen mgn man te vragen, mg toch te willen ontzien, maar dan vreesde ik weder hem te zuUen verdrieten, wat niet mocht, omdat dit hem na zijn dagwerk, met rustelooze vDjt volbracht,

Sluiten