Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

IC

Onderscheidene mijner medeleden en vrienden gaven mij den toensch te kennen, om het stuk nog eent te lezen: ten hunnen gevalle, heb ik het alt nu voor mijne eigene rekening laten drukken; het spreekt intusschen van zelve, dat het geenszins in dén handel komen moet, of tot publieke uitgave bestemd is. 'Tot regt verstand van het op bladz. 7, wegens de drie spreuken gezegde, moet ik aanmerken, dat - op het rugstuk van het Spreekgestoelte, eene soort van Allegorie was gebeeldhouwd en geschilderd. Men zag op het zinnebeeld der Eeuwigheid, eenen opengeslagenen Bijbel liggen, waarop geschreven stond: » Het woord Gods blijft in Eeuwig» beid." Het geheel rustte op eene gordijn of draperie, op welkt onderste gedeelte, de zinspreuk det Genootschaps > Bijbelstudie, enz." geschreven was: terwijl het geheel, aan de bovenzijde werd vastgehouden of gestrikt, dooreen lint, op welks slippen gelezen werd: » Wij kennen ten * deele." Ik heb gemeend deze kleine teregtwijzing mij te mogen veroorloven, vermits het anders vreemd zoude kunnen schijnen, dat er drie zinspreuken genoemd worden.

Voorts hebbe ik hier niets bij te voegen, als alleen dat ik wensche, dat mijne geëerde medeleden zich onder het lezen van deze volgende bladen, nog met genoegen en dankbaarheid, aan de nuttige en aangename avonden van vroegeren tijd herinneren mogen, en dat zij ook nog met eenige belangstelling gedenken zullen, aan den weemoedigen avond, waarop wij ons verpligt gevonden hebben, onze werkzaamheden geheel te eindigen en den kring te ontbinden.

Rotterdam, F- SMEER.

10 Haart 1836.

Sluiten