Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Kort Da de koninklijke intogt en tempelreiniging door den Heere Jezus te Jeruzalem, en terwijl Hij in den tempel het volk leerde en het E rangeHe verkondigde, ontving Eij een gezantschap van de O verpriesters en Schriftgeleerden, met de Ouderlingen, die Hem vraagden: "Zeg Ons door wat magt Oij deze dingen doet, en wie hij is, die TJ deze magt gegeven heeft?" Gewis een vraag van het grootste belang voor hen, en die de Heere ongetwijfeld regtstreeks zou beantwoord hebben, indien de vragers welmeenend en opregt geweest waren. Maar in hunnen blinden ijver voor de vaderlijke instellingen, was het hun helaas! niet om de «raarheid en de eer van God te doen, maar om iets uit Zijnen mond te bejagen, waarmede zij Hem beschuldigen mogten. Door vooroordeel en eigenliefde verblind en het oordeel der verharding over zichzelven gehaald hebbende, waren zij niet voor overtuiging vatbaar; maar weerstonden de sterkste bewijzen van Zijne Goddelijke zending. (Joh. 5: 36). Daarom antwoordde hen de Heer, zeggende: "Ik zal u ook een woord vragen, hetwelk, indien gij mij zult zeggen, zoo zal ik u ook zeggen door wat magt ik deze dingen doe: De doop van Johannes was die uit den hemel of uit de menschen?"— Eene netelige vraag, waardoor hunne opregtheid en waarheidsliefde op de proef gesteld werd, en waardoor zij zeiven in de grootste verlegenheid kwamen. ''Zij overlegden onder elkander en zeiden: indien wij zeggen, uit den hemel, zoo zal hij ons antwoorden: Waarom hebt gij Hem dan niet geloofd? En indien wij zoggen, uit de mensohen, zoo zal ons het volk steenigen, want zij houden allen Johannes voor èen profeet. En zij Jezus antwoor-

Sluiten