Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

beschrijving der personen die toegedaan werden. Het waren dezulke, die verslagen in het hart, door het gezicht hunner zonden, het Evangelie hun door Petrus verkondigd, met blijdschap aannamen, en in gehoorzaamheid aan het bevel des Heeren gedoopt werden. Deze worden bedoeld door die drie duizend, die op dien dag tot hen toegedaan werden. Maar dit toedoen tot de gemeente geschiedde niet door den doop,*) maar door den Heere, (de Heilige Geest, die "de Heer des oogstes" genoemd wordt) Dit zien wij zeer duidelijk uit het laatste vers van dit hoofdstuk, "En de Heere deed dagelijks' tot de gemeente, die zalig werden." En hoedanige personen dat waren zien wij hier andermaal: die zalig, vierden; en nogmaals, in Hand. 5: 14, "En er werden meer en meer toegedaan die in den Heer geloofden, menigten beide van mannen en van vrouwen." Hoe kon de Heilige Geest nauwkeuriger de leden der gemeente aanduiden?

Het 39ste vers wordt gewoonlijk aangevoerd als een bewijs voor den kinderdoop. "Want u komt de belofte toe, en uwen kinderen, en allen die daar verre zijn, zoo velen als er de Heer onze God toe roepen sal." Hierover wordt gewoonlijk geredeneerd alsof er stond: want u komt de doop toe en uwe kinderen; maar dat staat er niet; er staat "want u komt de belofte toe," en de doop is tooh immers geen belofte, maar een bevel des Heeren. En is het niet duidelijk dat Petrus de belofte des Heiligen Geestes bedoelde, en niet de doop? Dit moet een ieder zien, die de plaats in deszelfs verband en zamenhang opmerkzaam naleest; (vergelijkt vrs. 17 en 18 met vrs. 33.) Nadat hij gezegd had in het 38ste vers: "En gij zult de gave des Heiligen Geestes ontvangen" laat hij er onmiddelijk op volgen "want u komt de belofte toe" nl. de belofte des Heiligen Geestes. Deze belofte was aan hen gedaan door God bij Joel, en kwam'hun daarom toe, en hunne kinderen, en allen die daar verre zijn, nl. ons heidenen "die eertijds verre waren, maar nu nabij geworden zijn, door het bloed van Christus" (Ef. 2: 13.) Deze belofte werd aanvankelijk vervuld op dit feest der eerstelingen; (zoo zegt ook Paulus van de eerste christenen, "wij die de eerstelingen des Geestes hebben.") maar de volle oogst moet nog volgen, vooral ten aanzien van Israël; want de ongeloovigé natie verhoudt zich in betrekking tot deze eerstelingen als "het deeg," (Bom. II: 16) en is nu onder het ongeloof besloten, totdat de volheid der Heidenen zal inge-

*) Hierdoor vervalt de tegenwerping, die gedurig tegen den doop bij indompeling van drieduizend op eenen dag, gemaakt wordt. Er staat niet dat zij allen op dien d ag gedoopt zijnmaar dat er zoo veel tot hen toegedaan werden.

Sluiten