Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

en Anglikaansche kerken leeren, en ook de Gereformeerde Kerk, in het formulier van den doop, op het zachtst gesproken, tenminste schijnt te leeren, geloof ik niet; integendeel ik weet dat het eene zielverderfelijke dwaling is; dat echter de kinderdoop nit deze dwaling geboren is, bewijst de kerkelijke geschiedenis. Hoe de Heilige Geest dese wedergeboorte werkt in kinderen, die in hunne kindschheid komen te sterven, leert ons Gods woord niet; bij degenen, die het woord Gods kunnen hooren en verstaan, is dit het middel, of het "onvergankelijke zaad" door hetwelk de Heer doode zondaars opwekt en wederbaart; en daarom beveelt Hij zijne gezanten: "Gaat heen in de geheele wereld, predikt het Evangelie aan alle creaturen; die geloofd zal hebben en gedoopt tal sijn, zal zalig worden, maar die niet geloofd zal hebben sal verdoemd worden." En dit is de regel, waarnaar wij bij de bediening des doop hebben te handelen. Laat de verkondiging van het Evangelie vooraf gaan; laat ons in onze huisgezinnen en in de Zondagscholen en in onze openbare vergaderingen, de teedere jeugd ijverig onderrigten in Gods woord; saai in haar tijdig en ontijdig het saad, waardoor de Heilige Geest de wedergeboorte werkt, en Hij heeft beloofd, dat sijn woord niet ledig tot Hem zal wederkeeren, maar doen hetgeen Hem behaagt en voorspoedig zal sijn in hetgeen waartoe Hij het zendt.

••Indien eenig broeder eene ongeloovige vrouw heeft, en derzelve tevreden is bij hem te wonen, dat hij se niet verlate. En eene vrouw, die eenen ongeloovigen man heeft, en hij tevreden is, bij haar te wonen, dat zij hem niet verlate. Want de ongeloovige man is geheiligd door de vrouw, en de ongeloovige vronw is geheiligd door den man; want anders waren uwe kinderen onrein, maar nu sijn sij heilig. Maar indien de ongeloovige scheidt, dat hij scheide" 1 Cor. 7: 12-13.

Deze plaats staat in hoegenaamd geen verband met den doop. De vraag waarover de Apostel hier handelt, was niet of kinderen gedoopt zouden worden, maar of de geloovige man of vrouw de ongeloovige verlaten zou. Het is bekend dat de Joden alle' heidenen voor onrein hielden, en dat het hun ongeoorloofd was zich te vervoegen, ofte gaan tot eenen vreemde of heiden (Hand. 10: 28), niet met hen mogten eten, veel minder met. hen in de banden des huwelijks vereenigd konden zijn, zonder door hen verontreinigd te worden. Welligt nu had dit Joodsche begrip in deze Gemeente voet gekregen, en dewijl er een aaital leden waren, die door den echt aan ongeloovigen verbonden waren, hadden sij, hierdoor veront-

Sluiten