Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Tust, den Apostel hieromtrent geraadpleegd. Hij antwoordt hun, dat de geloovige niet uit gewetensbezwaar, dat is, niet van wege de verontreiniging, den ongeloovige verlaten zou, dewijl de ongeloovige echtgenoot door den geloovige geheiligd was; of gelijk hij op eene andere plaats zegt, "den reinen zijn alle dingen rein;" zoodat gij u, hoewel gij rein en heilig zijt, nogtans niet aan hen in de zamenleviog verontreinigt

Om hun nu de onhoudbaarheid dezer zaak nog duidelijker voor oogen te stellen, en zijn argument nog meer kracht bij te zetten, laat hij, zich tot de geheele gemeente wendend, volgen: "want anders waren uwe kinderen onrein, maar nu zijn ze heilig." Hij wil hiermede namelijk zeggen, dat de zelfde oorzaak, die den geloovigen zoude noodzaken van zijne ongeloovige echtgenoot te scheiden, hen allen zou noodzaken van hunne kinderen te scheiden, dewijl zij, onbekeerd zijnde, even onrein waren als de ongeloovige man of vrouw. Niet aan hun eigen persoon zijn ze heilig, (hetgeen in strijd zou zijn met Gods woord) maar den geloovigen ouders zijn zij heilig, of geheiligd, opdat uwe heiligheid in den omgang met hen niet verontreinigd worde. Dat de Apostel dit zegt van de kinderen der geheele gemeente, en niet slechts van de kinderen uit de gemengde huwe lijken, blijkt zoo mogelijk nog duidelijker, uit de volgende omstandigheid: Wanneer hij in dit hoofdstuk de belangen van sommigen der gemeenteleden behandelt gebruikt hij, dewijl hij aan de geheele gemeente schrijft, het voornaamwoord in den derden persoon, hun of zij, b. v. "üooh ik zeg den ongetrouwden en weduwen, het is hun goed indien zij blijven gelijk als ik." Aldus gaat hij ook voort in den derden persoon in het onderwerp thans onder behandeling; en even zoo zou hij ook voortgegaan zijn, als hij de kinieren uit de gemengde huwelijken alleen gemeend had, en het voornaamwoord hnnne kinderen gebezigd hebben; maar neen hij wendt zich tot de geheele gemeente en zegt uwe kinderen. Hetgeen dat gevoelen nog versterkt is, dat in den grondtektst het werkwoord niet in den verleden maar tegenwoordigen tijd is: uwe kinderen zijn onrein; eene spreekwijze, passende voor eene bepaalde en werkelijke meer dan wel af hankelijke omstandigheid. Het blijkt hieruit dus andermaal, dat zuigelingsdoop en lidmaatschap deze gemeente geheel en al vreemd was, en ongetwijfeld ook alle andere gemeenten van dien tijd.

En nu, waarde lezer, heb ik de vraag die wij ons gesteld hebben, zoo eenvoudig en duidelijk als het mij mogelijk was, uit Gods Woord beantwoor', en heb bewezen dat de kinderdoop niet uit God, maar uit de men-

Sluiten