Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

en door Markus (16: 15, 16) opgeteekend; en in dezelve gebood hen de Heere (en al Zijne gezanten na hem) om door de verkondiging van Zijn Evangelie, discipelen te maken van alle volken, hen doopende in den naam des Vaders, en des Zoons, en des Heiligen Geestes, hen verzekerende dat "die ge:oof I zal hebben en gedoopt zal zijn, zal zalig worden; maar die niet geloofd zal hebben zal verdoemd worden;" hen gebiedende om vervolgens deze discipelen of geloovigen te leeren onderhouden alles, wat hij hun geboden had. en hen daarenboven beloovende, dat Hij met hen wilde zijn, tot aan de voleinding der wereld.

Met zulke eenvoudige en duidelijke instructien, schijnt het bijna onmogelijk, dat er verschil zou zijn onder de Christenen omtrent de personen, die gedoopt en als leden der gemeente van Christus erkend moeten worden; maar de groote meerderheid van hen, eene inzetting aangenomen hebbende (de kinderdoop genaamd), waarvoor zij noch bevel noch voorbeeld in liet Nieuwe Testament vinden kunnen, gaan terug, omtrent twee duizend jaren voor de instelling des doops, tot het verbond der besnijdenis *) hetwelk door God aan Abraham en zijn natuuurlijk zaad gegeven is, om daaraan het noodige gezag voor deze inzetting te ontleenen, en waarvan zij beweren dat dit het genade verbond is, of een deel van hetzelve; en dat Gods volk (Israël) of kerk in den ouden dag, eenzelvig is met de gemeente van Christus in de Nieuwe bedeeling, en dat derhalve dit verbond, waaraan de besnijdenis verbonden was, nog in kracht is in de gemeente van Christus, en zal blijven, tot aan het einde der wereld, de uitwendige plechtigheid (die door de verdedigers dezer stelling deszelfs regel genoemd wordt) vervangen zijnde dooi den doop. Gevolgelijk, de besnijdenis werd aan zuigelingen toegediend, zoo moet ook de doop aan zuigelingen toegediend worden; hieruit volgt verder, dat gelijk zuigelings lidmaatschap een wezenlijk bestanddeel der Joodsche kerk was, het ook desgelijks een wezenlijk bestanddeel der gemeente van Ch'istus is.

*) Het zal wel zijn, hier de reden aan te geven, waarom wij dezen titel gekozen hebben," in. plaats van "Het verbond met Abraham." Wij deden dit in de eerste plaats, omdat het de schriftuurlijke benaming is (Hand 7: 8) en wij gevoelen daaraan de voorkeur te geven, want "die spreekt, spreke als de woorden Gods." Ten tweede, omdat het naauwkenriger is, en wij wenschen om daardoor verwarring voor te komen met een ander en beter verbond, dat met Abraham (niet gemaakt, maar) bevestigd is, op Christus. De Schrift spreekt zeer duidelijk van twee vcrbonde?i,eii twee gansch verschillende volken,waarvan Abraham tot een vader gesteld is; een volk dat na ir hit vlees oh uit zijne lendenen zoi voortkomen, en waaraan het verbond der besnijdenis gegeven werd, en een geestelijk volk, de geloovigen, die uit kracht van het genade verbond, de besnijdenis des harten, in den geest outvangeu.

Sluiten