Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

hen wandelen; en Ik zal hun God zijn en zij zullen Mij een volk zijn. Daarom gaat uit het.midden van hen en scheid u af, zegt de Heere, en raakt niet aan hetgeen onrein is, en -Ik zal ulieden aannemen. En Ik zal u tot een' Vader zijn, en.gij zult mij tot zonen pn dochteren zijn, zegt de Heere, de Almagtige." (2 Cor. 6: 14-18.)

Het onderscheid tusschen Israël en de gemeente is groot en handtastelijk, en hunne positie is.grondverschillend. Door geboorte uit het zaad Abrahams, en door de besnijdenis der voorhuid was men een Israëliet — maar een waar Israëliet of' een lid der gemeente wordt men alleen door de besnijdenis des harten in den geest — dat is door de wedergeboorte. Israël was een aardsch volk, en werd gezegend met aardsche zegeningen in een aardsch vaderlana, dat hun ter erfenis gegeven werd— de Gemeente is een hemelsch volk en wordt met geestelijke zegeningen gezegend, in den hemel in Christus (Ef. 1: 3) Israël had een wereldlijk heiligdom, een aardsch huis öf tempel, waarin door een geheiligd priesterdom aardsche offeranden gebracht «erden — de Gemeente is een woonstede Gods in den Geest, een geestelijk huis, met levende steenen gebouwd, op den levenden Steen Christus,- een heilig priesterdom om geestelijke offeranden op te offeren, die Gode aangenaam zijn door Jezus Christus" (1 Petr. 2: 5). En de Schrift leert ons, dat in de bedeeling van de volheid der tijden (of het duizendjarig rijk) Israël en de gemeente in een hoofd (Christus) zullen vereenigd worden (Ef. 1: 9, 10) maar dat ook dan dit aardsche vólk Gods nog een volk op aarde zijn zal, waarover Christus (als de zoon Davids) met Zijne Gemeente (als Zijne bruid of vrouw) regeeren zal; en niet alleen over hen, maar over het geheele gezegende aarIrijk; en dat alsdan in eenen veel uitgestrekteren en heerlijkeren zin des woords in het zaad Abrahams alle geslagten des aardrijks zullen gezegend worden. (Bom. 11: 15, Jez. 2 en Micha 4) En dit brengt ons tot de derde belofte in het verbond der besnijdenis, waarin God belooft: "En Ik zal u en uw zaad na u, het land uwer vreemdelingschappen geven, het geheele land Kanaan, tot eeuwige bezitting; en Ik zal hun tot-eenen God zijn. (Gen. 17: 8) Mijn bestek gedoogt niet om op dit punt in te gaan, of te bewijzen, dat de Joden andermaal het land Kanaan in bezit zullen krijgen, en het is ook niet noodig ter beantwoording der vraag- die wij ons gesteld hebben. Ik twijfel echter hieraan geenszins, want God heeft hot door Zijne profeten in eene menigte van plaatsen beloofd; en waartoe wordt ook anders dit volk door de besnijdenis en de instellingen der wet nog altijd als een afgezonderd volk bewaard

Sluiten