Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

en koestert nog altijd de verwachting van hunne herstelling en dat sedert zoo vele eeuwen, te midden van andere volken, in weerwil van vervolgingen en pogingen om hen uit te roeijen? Uit deze laatste belofte blijkt het ook vooral zeer duidelijk dat het verbond der besnijdenis uitsluitend en alleen met Abraham en zijne natuurlijke nakomelingen gemaakt is, en dat zijn geestelijk zaad uit de heidenen er in het geheel niet in begrepen is, en zich dit verbond wederrechtelijk toeeigent; maar dat het nog in kracht is voor de Joden, en dat dit teeken in hun vleesch voor hen de waarborg is dat Gods beloften Ja en Amen zijn.

Het zal na dit alles voor een opmerkzamen lezer bijna overbodig zijn, de vraag of de doop in plaats van de besnijdenis gekomen is, nog te overwe gen. Wordt ons dit ergens in Gods Woord geleerd? Waar staat het? Is er een Zoo zegt de Heere! voor deze bewering? De 74ste vraag van den Heidelbergschen Catechismus zegt "voor welke (besnijdenis) in het Nieuwe Verbond de doop ingezet is" — door wien? Heeft de Heere Jezus zoo iets gezegd bij de inzetting des doops? Kan zulk een gedachte opkomen bij het lezen van Zijn bevel aangaande den doop? Heeft Hij bij eene andere gelegenheid een woord dienaangaande gezegd? JüTiet een enkel woord! Er is zelfs geen spoor van eene aanduiding hieromtrent, in al het onderwijs dat Hij ons gegeven heeft! En indien Hij ons dit niet geleerd heeft wie durft zich dan het gezag daartoe aanmatigen? En waarom dit dan maar zoo roekeloos beweerd? Hebben de Apostelen' ons dienaangaande onderrigt? Neen! Deze leer is nergens in hunne brieven te vinden! Colossensen 2: 11, 12 wordt gewoonlijk aangehaald als bewijs dat de doop in plaats van de besnijdenis gekomen is, en het is de eenigste plaats in Gods Woord die, uit haar verband gerukt, en vlugtig gelezen, in den eersten opslag een schijn van waarheid aan deze stelling geeft; maar wanneer wij het geheele hoofdstuk opmerkzaam en biddend bestudeeren, dan zullen wij zien, dat niets verder van de bedoeling van Paulus was, dan om dit te willen leeren! Het geheele redebeleid van den Apostel is tegen zulk eene stelling gerigt! In de eerste verzen van dit hoofdstuk laat hij zijne bezorgdheid voor hen blijken, wetende dat zij in gevaar waren eene prooi te worden van die Joodsche drijvers, die de besnijdenis en de ceremonieele wet onder de Christenen uit de Heidenen zochten in te voeren; en om hen tegen die verleiders te wapenen, die' hunne beweegredenen eenen schijn van waarheid en zelfs van wijsheid wisten te geven, toont hij hun welk eenen rijkdom de geloovigen in Christus hebben; en dan waarschuwt bij

Sluiten